Het eerste lid van dit artikel bevat de maatstaf aan de hand waarvan wordt gekeken of nadeelcompensatie zal worden toegekend.
Ten eerste moet de schade het rechtstreekse gevolg zijn van door of vanwege de gemeente Almelo rechtmatig uitgevoerde feitelijke werkzaamheden c.q. genomen besluiten. Er moet derhalve sprake zijn van causaal verband. Om te beoordelen of er sprake is van causaal verband tussen het nadeel en de werkzaamheden dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de toestand zoals deze door het handelen is geworden en de toestand zoals deze zonder het handelen zou zijn geweest op hetzelfde moment. Jurisprudentie: voorzieningenrechter Rechtbank Haarlem, 8 november 2006, LJN AZ2719; ABRvS, 6 februari 2008, LJN BC3638. Literatuur: Tjepkema 2010, p. 316 – 349.
Ten tweede moet het gaan om nadeel dat redelijkerwijs niet of niet geheel te zijner laste behoort te blijven (AB 1991/437, AB 1992/250, AB 1993/202, AB 1995/267, AB 1995/444, AB 1996/440, JB 1998/278, ABRS 14 november 2000, BR 2001, p. 234, ABRS 26 september 2001, BR 2002, p. 797). Nadeel dat geacht wordt tot het normaal maatschappelijk risico of ondernemersrisico te behoren komt niet voor vergoeding in aanmerking. Het moet gaan om onevenredig nadeel, zie ook de algemene toelichting. Het ligt in beginsel op de weg van de verzoeker om te stellen en aannemelijk te maken dat er aanleiding bestaat om af te wijken van voormeld uitgangspunt (JB 1998/278, AB 1996/440). De verzoeker dient niet alleen aannemelijk te maken dat hij schade lijdt, of zal lijden, maar ook dat sprake is van onevenredige schade – dat wil zeggen buiten diens normaal maatschappelijk risico, dan wel buiten diens normale ondernemersrisico vallende en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende schade – als gevolg van het betreffende besluit. De schade voor ondernemers kan het gevolg zijn van regelgeving, vergunningverleningen en ontheffingen op grond van gemeentelijke wet- en regelgeving, verkeersbesluiten of feitelijk handelen. Het abstracte begrip ondernemersrisico zal tijdens het onderzoek nader worden uitgewerkt tot het niveau van de ondernemer in het concrete project. Om te beoordelen of sprake is van een aanspraak op nadeelcompensatie wordt de “toverformule” bestaande uit de aard, de ernst en de duur van de hinder in kaart gebracht en beoordeeld. Daarnaast zullen de uit de jurisprudentie voortvloeiende criteria als voorzienbaarheid, risicoaanvaarding, schadebeperking en de vraag of de schade elders vergoed is eveneens in het onderzoek worden betrokken. Jurisprudentie: Rechtbank Leeuwarden, 26 april 2010, LJN BN2987; ABRvS, 11 maart 2009, LJN BH5532; ABRvS, 10 november 2004, LJN AR5469; ABRvS, 18 mei 2011, zaaknummer 201010173/1/H2; ABRvS, 14 juli 2004, zaaknummer 200306296/1; ABRvS, 13 juli 2011, zaaknummer 201010194/1/H2. Literatuur: Tjepkema 2010, p. 197 – 259.
De hoogte van de nadeelcompensatie is, in aansluiting op de uitspraak van de Raad van State met betrekking tot het bestemmingsplan Noord-Zuidlijn (ABRS 20 februari 2001, AB2001/380), niet in de verordening geregeld. Het wordt in eerste instantie aan de adviescommissie overgelaten vast te stellen in hoeverre er aanleiding bestaat tot toepassing van een aftrek wegens normaal maatschappelijk risico. Bij toekenning van nadeelcompensatie wordt het normaal maatschappelijk risico van oudsher ingevuld door middel van een korting in de vorm van een percentage van het schadebedrag (vgl. ABRvS 8 september 2004, BR 2005, p. 144 en ABRvS, 11 juni 2008, LJN BD3621). Dit betekent dat een percentage van 15% - 40% van de schade vanwege het normaal maatschappelijk risico voor rekening van benadeelde blijft. De laatste jaren is het niet ongebruikelijk om, in plaats van een korting op het schadebedrag, een drempel te hanteren. De Afdeling heeft het hanteren van een ondergrens in de vorm van een normaal maatschappelijk risico van 15% van de omzet op jaarbasis geaccepteerd ten aanzien van de tijdelijke inkomensschade die wordt geleden tengevolge van de aanleg van infrastructurele werken (vgl. ABRvS 5 september 2001, BR2002, 877; ABRvS 23 juli 2003, No. 200204377/1; ABRvS 14 april 2004, No. 200305154/1; ABRvS, 18 mei 2011, zaaknummer 201001203/1/H2). Het is niet vereist dat de drempel van 15% in de Verordening is opgenomen. Uit bedoelde jurisprudentie kan worden afgeleid dat het bevoegd gezag (geadviseerd door de adviescommissie) enige vrijheid heeft om ter invulling van het normaal maatschappelijk risico een eigen vaste gedragslijn te bepalen. Literatuur: Tjepkema 2010, p. 446 – 453.
Verder geldt dat het nadeel niet voor vergoeding in aanmerking komt, indien de verzoeker het risico van mogelijke benadeling (actief of passief) heeft aanvaard. Zie voor de uitleg van deze begrippen de algemene toelichting. Jurisprudentie: ABRvS, 3 juni 2009, LJN BI6095; ABRvS, 9 februari 2011, LJN BP3666; ABRvS, 11 november 2009, zaaknummer 200900926/1/H2. Literatuur: Tjepkema 2010, p. 480 - 508.
Ten slotte komt het nadeel niet voor vergoeding in aanmerking indien het nadeel anderszins is verzekerd. Deze nadeelcompensatieverordening heeft een aanvullend karakter. Deze regeling treedt dan ook niet in de plaats van bestaande (wettelijke) compensatieregelingen. Het zevende lid bepaalt dat het nadeel kan worden gecompenseerd in de vorm van geld of op andere wijze. Nadeelcompensatie in natura kan worden toegekend op verzoek van de gelaedeerde, van het college of op advies van de adviescommissie. Jurisprudentie: ABRvS, 24 juli 1994, BR 1995, p 509; ABRvS 5 maart 2006, BR 2006, p. 642. Literatuur: Tjepkema 2010, p. 509 – 513.
Hoofdstuk
Artikel 2
Het recht op nadeelcompensatie
Onderdeel van Algemene Nadeelcompensatieverordening gemeente Almelo