De rioolheffingen bedoeld in artikel 3, eerste lid, zijn verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is ingeval het gebruik, bij de aanvang van de belastingplicht.
Indien de belastingplicht met betrekking tot het gebruik voor de heffing bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, in de loop van het belastingjaar aanvangt, is het heffing verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde heffing als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
Indien de belastingplicht met betrekking tot het gebruik voor het heffing bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, in de loop van het belastingjaar eindigt, en er geen sprake is van een binnenverhuizing, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde heffing als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 5,00.
Belastingbedragen van minder dan € 5,00 worden niet geheven. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen rioolheffing of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 8
Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
Onderdeel van Verordening rioolheffing 2012