Bij een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 4., lid 1.
en 2.. dienen in ieder geval te worden overgelegd:
een bewijs van inschrijving bij de Kamer van
Koophandel;
een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven uiterlijk
drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag
wordt ingediend;
een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat de
leidinggevende gerechtigd is over de inrichting te
beschikken;
de volledig ingevulde formulieren als bedoeld in artikel
2., lid 1. en 2. en onder bijvoeging van de daarin
gevraagde bescheiden.
Indien naast de leidinggevende nog een andere persoon of
personen onmiddellijk leidinggevende is/zijn dan dient via het
aanvraagformulier te worden aangetoond dat de onmiddellijk
leidinggevende(n) ook daadwerkelijk in dienst is/zijn, waarbij
tevens een loonovereenkomst moet worden overgelegd waaruit
blijkt dat de leidinggevende(n) ook daadwerkelijk als zodanig in
de inrichting werkzaam zal (zullen) zijn.
Paragraaf IV.
Artikel 5.
Aanvragen van een vergunning
Onderdeel van Verordening Exploitatie Openbare Inrichtingen