**1.** De aanslagen die worden opgelegd in het kalenderjaar waarop zij betrekking hebben, moeten worden betaald binnen drie maanden en wel in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand, volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
**2.** In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 100,--, het aanslagbiljet betrekking heeft op een onroerende zaak niet zijnde een bedrijf, de belastingplichtige een natuurlijk persoon is en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingplichtige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het kalenderjaar overblijven met een minimum van drie maanden. De eerste termijn vervalt een maand na dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
**3.** Van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen tot € 100,-- worden in twee gelijke termijnen automatisch geïncasseerd. De eerste termijn vervalt een maand na dagtekening van het aanslagbiljet en de tweede termijn vervalt twee maanden na dagtekening.
**4.** Andere aanslagen dan die genoemd in het eerste, tweede en derde lid, moeten worden betaald binnen drie maanden en wel in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand, volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
**5.** De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in lid 1, 2, 3 en 4 gestelde termijnen.
Artikel 7
Termijnen van betaling
Onderdeel van Verordening onroerende zaakbelastingen 2012, eerste wijziging 2012