Naar hoofdinhoud

Artikel 13

Intrekking en wijziging van de vergunning

Onderdeel van Parkeerverordening 2012

1.. De vergunninghouder verstrekt zowel bij de aanvraag als bij wijzigingen de voor de vergunning relevante informatie aan het college. 2.. De vergunninghouder verstrekt op verzoek de voor de parkeervergunning relevante informatie. 3.. Het college kan een parkeervergunning intrekken of wijzigen: op verzoek van de vergunninghouder; wanneer de vergunninghouder het gebied waarvoor de parkeervergunning is verleend, verhuist of het daar uitgeoefende beroep of bedrijf beëindigt; wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de parkeervergunning; wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van parkeervergunningen komt te vervallen; wanneer de vergunninghouder niet of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voor zijn vergunning heeft voldaan; wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de parkeervergunning verbonden voorschriften; wanneer geconstateerd wordt dat de vergunning in strijd met de voorschriften wordt gebruikt; wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de parkeervergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt; om reden van openbaar belang; bij het niet (volledig) nakomen van het bepaalde bij of krachtens de parkeerverordening. indien wordt geconstateerd dat de zorgparkeervergunning gebruikt wordt zonder dat er sprake is van het verlenen van zorg. 4.. De betrokkene wordt van het intrekken of het wijzigen van de parkeervergunning schriftelijk in kennis gesteld. 5.. Wanneer een parkeervergunning is ingetrokken op grond van het bepaalde in het derde lid, sub g, h. i of j van dit artikel, wordt een aanvraag om een parkeervergunning pas behandeld na afloop van de periode waarvoor de ingetrokken vergunning was verleend.

Rechtspraak bij dit artikel