**1..** Het persoonsgebonden budget voor vervoersvoorzieningen en hulpmiddelen bij wonen wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de nieuwprijs van de goedkoopst-adequate voorziening, verhoogd met een bedrag voor onderhoud/reparatie en verzekering dat is gebaseerd op het gemiddelde bedrag voor onderhoud/reparatie en verzekering over 5 jaar.
**2..** Na de economische levensduur kan de belanghebbende een nieuwe aanvraag voor een persoonsgebonden budget indienen.
**3..** Indien binnen de economische levensduur de voorziening niet langer adequaat is worden alleen de extra kosten voor een aanpassing vergoed. Als dit niet mogelijk is wordt een PGB verstrekt voor het aanschaffen van een nieuwe voorziening.
**4..** Indien de voorziening vroegtijdig vervangen moet worden worden de extra kosten berekend, onder aftrek van de restwaarde conform de gemeentelijke restwaardeberekening.
**5..** Indien de voorziening binnen de economische levensduur niet langer meer noodzakelijk is, is de belanghebbende verplicht om de voorziening terug te geven aan de gemeente danwel de restwaarde terug te betalen aan de gemeente
**6..** De belanghebbende kan met het PGB de voorziening kopen of huren maar wordt daarmee geen eigenaar van de voorziening en mag dit dan ook niet vervreemden.
**7..** Bij verhuizing krijgt de belanghebbende de keuze om de voorziening in eigendom over te dragen aan het college danwel naar rato het niet gebruikte deel van het PGB terug te betalen.
**8..** De verstrekking van een PGB wordt na toekenning op basis van bevoorschotting in één keer overgemaakt naar de bankrekening van de belanghebbende.
Hoofdstuk 2
Artikel 8.
Vaststelling en uitbetaling PGB vervoers- en woonvoorzieningen
Onderdeel van Besluit Nadere Regelen Wet Maatschappelijke Ondersteuning