Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Belastbaar feit en belastingplicht

Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2012

1.. De belasting wordt geheven: ter zake van het gebruik van de gemeentelijke riolering voor een hoeveelheid afvalwater van 1 tot en met 250 kubieke meters die vanuit het perceel wordt afgevoerd via de gemeentelijk riolering (hierna: rioolheffing 1); ter zake ter zake van het gebruik van de gemeentelijke riolering voor een hoeveelheid afvalwater uitgaande boven 250 kubieke meters die vanuit het perceel wordt afgevoerd via de gemeentelijke riolering (hierna: rioolheffing 2). 2.. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de hoeveelheid afvalwater bepaald op de wijze als bedoeld in artikel 5. 3.. De heffing wordt geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd 4.. Als gebruiker wordt aangemerkt: degene die naar de omstandigheden beoordeeld van het perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikmaken; gebruik maken van een perseel door de leden van een huishouden wordt aangemerkt als gebruikmaken door het door de in artikel 231, tweelid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar aangewezen lid van dat huishouden; gebruikmaken door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, wordt aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik wordt aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel