**1..** Burgemeester en wethouders kunnen op een daartoe strekkend
verzoek een vergunning verlenen voor het parkeren op
belanghebbendenplaatsen of parkeerapparatuurplaatsen.
**2..** Een vergunning kan worden verleend aan de eigenaar of houder van een
motorvoertuig wanneer deze
woont in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of mede
door vergunninghouders te gebruiken
parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn, dan wel
een beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar
belanghebbendenplaatsen en/of mede door vergunninghouders te
gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn en
aantoont dat het in het belang van diens beroeps- en
bedrijfsuitoefening noodzakelijk is in dat gebied een
motorvoertuig te parkeren.
**3..** De eigenaar of houder van een motorvoertuig die voldoet aan beide in
het tweede lid gestelde voorwaarden wordt, voor wat betreft de
eerste aangevraagde vergunning, geacht te beantwoorden aan de onder
a genoemde voorwaarden.
**4..** Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen een
vergunning ook verlenen aan eigenaren of houders van motorvoertuigen
die niet voldoen aan een van de in het tweede lid genoemde
voorwaarden.
**5..** Aan de vergunningen kunnen zowel beperkingen worden verbonden met
betrekking tot de te gebruiken parkeerplaatsen als met betrekking
tot de tijdstippen waarop de vergunning van kracht is.
**6..** Burgemeester en wethouders kunnen aan een vergunning ook andere
voorschriften en beperkingen verbinden. Deze voorschriften en
beperkingen mogen alleen strekken tot bescherming van het belang van
een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte.
Artikel 3
Artikel 3
Onderdeel van Verordening op het gebruik van parkeerplaatsen en de verlening van vergunningen voor het parkeren 1998