Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2012.
Toelichting op het besluit voorzieningen MO 2012
Inleiding
Naast de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning is er een Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning. Hierin zijn bij elkaar gebracht alle bedragen, die op basis van de verordening moeten worden vastgesteld, evenals de nadere regels waarnaar in de verordening al wordt vooruitgewezen.
Door het opnemen van alle bedragen in een Besluit is het niet nodig om bij wijziging van de bedragen, bijvoorbeeld omdat er aan de hand van de prijsindex een bijstelling daarvan plaatsvindt, de verordening te wijzigen. Een aanpassing van de betreffende bepalingen in het Besluit kan aanzienlijk sneller plaatsvinden via een collegebesluit.
Op grond van een rechterlijke uitspraak was de bepaling van de omvang van de eigen bijdrage sinds 2009 tijdelijk zekerheidshalve opgenomen in de Verordening maatschappelijke ondersteuning, in plaats van in dit besluit. Inmiddels heeft de Centrale Raad voor Beroep op 17 november 2010 een uitspraak gedaan deze zaak (08/5873 WMO + 08/6006 WMO + 08/6008 WMO). In deze uitspraak is aangegeven dat gemeenten de norm bedragen voor de eigenbijdrageregeling niet in de gemeentelijke verordening hoeven te hebben staan. Derhalve is teruggekeerd naar de oorspronkelijke systematiek waarbij de verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning geen bedragen bevat zodat de verordeningstekst geen jaarlijkse wijziging belooft.
Een omvattend onderwerp dat in het Besluit aan de orde komt is het persoonsgebonden budget. Van alle soorten voorzieningen waarvoor een persoonsgebonden budget mogelijk is wordt in het Besluit aangegeven hoe het bedrag daarvan wordt vastgesteld.
Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen Algemeen Hoewel het VNG-model geen begripsbepalingen biedt is het dienstig geacht om van een aantal begrippen toch een omschrijving op te nemen. De meeste hiervan zijn afkomstig uit de begripsbepalingen van de Verordening voorzieningen gehandicapten 2006.
Artikel 1.1, sub b De Wet (artikel 1, eerste lid, sub h) geeft als omschrijving van ‘hulp bij het huishouden’: “het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden van een persoon dan wel van de leefeenheid waartoe een persoon behoort”.
Artikel 1.1, sub d De toepassing van een ‘uitraasruimte’ staat beschreven in artikel 5.7, derde lid, van de Verordening.
Artikel 1.1, sub f-1
Hoewel hier wordt gesproken van ‘verplaatsing binnen de woonruimte, dan wel voor verplaatsing in en rondom de woning’, laat dit onverlet dat de rolstoel ook in de wijde omgeving kan worden gebruikt.
Artikel 1.1, sub f-2
Onder ‘een aanpassing aan de rolstoel’ vallen ook de handbike, beensteunen, etc.
De handbike is dus geen aparte voorziening, maar een aanpassing aan een rolstoel. Hij kan worden verstrekt als er een duidelijke behoefte is voor sportbeoefening (m.n. bij georganiseerde sportbeoefening), dan wel op grond van een medische noodzaak.
Artikel 1.1, sub t Ook in het Besluit wordt het begrip “aanvrager” omschreven. Het begrip staat weliswaar al in de Verordening omschreven, maar het is toch wenselijk geacht om dit nog eens te herhalen in het Besluit.
Hoofdstuk 2 Algemene bepalingen Artikel 2.1, eerste lid Deze bepaling sluit aan bij de omschrijving van het begrip ‘aanvrager’ in artikel 1.1, sub u, van de Verordening. Artikel 2.3, algemeen In dit hoofdstuk is geen bepaling opgenomen over een termijn voor het beschikken op een aanvraag. De algemene wettelijke termijn (Algemene wet bestuursrecht) bedraagt acht weken. Het verder preciseren van een termijn is niet zinvol, omdat de behandelingsduur van veel aanvragen mede afhankelijk is van een aantal door de gemeente niet te beïnvloeden factoren. Dat is met name het geval wanneer aan het CIZ om advies moet worden gevraagd. Wel zal de aanvrager, indien de aanvraag meer tijd vergt dan gebruikelijk, hiervan op de hoogte worden gesteld. Artikel 2.3, zesde lid Het motiveringsbeginsel van de beschikking wordt hier ten overvloede opgenomen, voor de duidelijkheid.
Hoofdstuk 3 Bijzondere regels over het persoonsgebonden budget
Artikel 3.1, eerste lid De strekking van deze bepaling is dat aan de aanvrager zal worden gevraagd om bij hulp bij het huishouden een expliciete keuze te maken tussen een verstrekking in natura of een verstrekking in de vorm van persoonsgebonden budget, waaronder een vergoeding voor het inhuren van een alfahulp. De recente wetswijziging schrijft voor dat in het geval van een persoonsgebonden budget voor een alfahulp er sprake moet zijn van “geïnformeerde toestemming” van de aanvrager.
Artikel 3.1, tweede lid Deze bepaling is een uitwerking van artikel 3.4, eerste lid, sub b, van de Verordening. Het begrip “goedkoopst adequaat” moet worden begrepen als volgt: eerst wordt onderzocht welke oplossingen adequaat zijn en vervolgens wordt van deze de goedkoopste gekozen.
In de toelichting van de verordening is al aangegeven dat bij het bepalen van de hoogte van het persoonsgebonden budget wordt gekregen naar de te verstrekken goedkoopst adequate voorziening in de natura (beter gezegd de compensatie die via die voorziening wordt geboden). De gewijzigde wet spreekt van een “vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget” (artikel 6 van de wet). Dit dient gelezen te worden als dat het persoonsgebonden budget toereikend dient te zijn om tot een met natura vergelijkbare compensatie van de beperking te komen. Als referentiepunt voor de budgetbepaling is het resultaat (het compenseren van de beperking via een pgb door de burger) belangrijker dan het bedrag dat de gemeente kwijt is in natura.
Artikel 3.1, derde lid (nieuw)
Er is hier een derde lid toegevoegd waarin staat aangegeven dat het budget voor hulp bij het huishouden pas daadwerkelijk wordt overgemaakt, nadat de gemeente een overeenkomst tussen cliënt en hulpverlener heeft ontvangen. Op deze wijze heeft de gemeente een toetssteen bij de controle achteraf na het einde van het kalenderjaar.
Artikel 3.2 Deze bepaling is een uitwerking van artikel 3.1, eerste lid, van de Verordening.
Het gaat hierbij om concrete aanwijzingen die leiden tot een ernstig vermoeden van onvermogen in het omgaan van betrokkene met een persoonsgebonden budget. Niet alleen de fysieke en mentale vermogens van de aanvrager zijn van belang, maar ook de omstandigheid of een andere persoon deze taak voor hem waarneemt of kan overnemen. Hierbij moet worden gedacht aan een wettelijke vertegenwoordiger (mentor of bewindvoerder) of een betrouwbare zaakwaarnemer. Artikel 3.3, tweede lid De controle vindt dus plaats na afloop van de periode die met de verstrekking is gemoeid. Beslaat deze periode meerdere kalenderjaren, dan vindt een jaarlijkse controle plaats.
Artikel 3.3, vierde lid De verantwoording van het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming betreft het hele budget inclusief de eigen betaling en exclusief het deel dat hieronder in het 5e lid is beschreven.
Artikel 3.3, vijfde lid Deze bepaling omschrijft welke gedeelte van het persoonsgebonden budget als ‘vrij besteedbaar’ kan worden beschouwd. Ook in de informatie bij de individuele beschikking zal hierop worden gewezen. Voor 2012 is het minimale verantwoordingsvrije bedrag gewijzigd van € 250 naar minimaal € 100, omdat € 250 op een budget van nog geen € 1000 een te groot bedrag wordt gevonden. Ook het maximale bedrag van € 1250 is bijgesteld, omdat 1,5% van het hoogste budget slechts ruim € 200 is en € 1250 dus simpelweg nooit zal voorkomen, dus € 250 wordt een logischer bedrag geacht;
Hoofdstuk 3a Bijzondere regels over de eigen bijdrage Algemeen De vraag ligt voor de hand of er geen anti-cumulatiebepaling gewenst is om stapeling van eigen bijdragen, denk bijv. aan ziektekosten, kosten van aangepast schoeisel en overige AWBZ-regelingen, tegen te gaan. De Wmo is echter preferent ten opzichte van andere regelgeving, zodat een dergelijke bepaling met betrekking tot eigen bijdragen niet nodig is. In de toelichting bij de Algemene maatregel van bestuur is hierover het volgende opgemerkt: “Anders dan bij de Wvg gaat de Wmo-bijdrage thans voor op de AWBZ. Dit betekent dat burgers die voor een bepaalde Wmo-voorziening reeds een eigen bijdrage betalen, maar daarvoor het maximum nog niet hebben bereikt, voor de AWBZ slechts een eigen bijdrage betalen tot dat voor hen geldende maximum. Dit geldt ook voor de eigen bijdrage die in mindering wordt gebracht op het persoonsgebonden budget op grond van de AWBZ.” Door deze bepaling is ook het totaal van de eigen bijdrage die de gemeente zelf kan vragen aan aanvragers die verschillende voorzieningen tegelijk hebben, aan grenzen gebonden.
Artikel 3.4 lid 1
De hier genoemde bedragen zijn afkomstig uit de Algemene maatregel van bestuur (besluit maatschappelijke ondersteuning van 2 oktober 2006, laatst gewijzigd 17 november 2010), en zoals nadien bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie.
Deze bedragen zijn bovengrenzen; gemeenten kunnen ook lagere beginbedragen, hogere drempelinkomens en een lager percentage als 15% hanteren. Dit kan alleen gelijkmatig voor alle groepen tegelijkertijd. Aanpassingen ervan hebben grote budgettaire consequenties.
De Rijksoverheid geeft sinds 1 januari 2009 aan cliënten met een Wmo en/of AWBZ eigen bijdrage via het CAK een korting van 33% op de totaal te betalen eigen bijdragen. Deze compensatiemaatregel is door het Rijk ingevoerd vanwege de beperking van de fiscale aftrek van bijzondere ziektekosten. Het Rijk bepaalt en betaalt deze maatregel, dit gaat buiten de gemeenten om.
Artikel 3.4 lid 2
Hier wordt geregeld dat de maximale periode waarover een eigen bijdrage voor een scootermobiel kan worden gevraagd maximaal 3 kalenderjaren is. De eigen bijdrage wordt per periode van 4 weken geheven.
Artikel 3.4 lid 3
Volgens de Wet maatschappelijke ondersteuning mag de eigen bijdrage nooit meer bedragen dan de kostprijs van de voorziening. In dit artikel worden de kostprijzen vastgesteld. De bedoeling is dat de hoogte van de kostprijs voor hulp bij het huishouden gelijk aan de minimale tarieven die verwacht worden als uitkomst van het Dynamische Selectiemodel bij hulp in natura. Het bedrag voor scootmobielen is afgeleid van het huurbedrag dat de gemeente gemiddeld maandelijks betaalt voor het betreffende model aan de drie gecontracteerde leveranciers.
Artikel 3.5 Het hier gehanteerde inkomensbegrip is eveneens afkomstig uit de Algemene maatregel van bestuur en sluit aan bij de bestaande praktijk met betrekking tot het verstrekken van hulp bij het huishouden (huishoudelijke verzorging).
Artikelen 3.6 en 3.7 Ook deze artikelen zijn overgenomen uit de Algemene maatregel van bestuur.
Hoofdstuk 4 Hulp bij het huishouden
Artikel 4.1
In het kader van de aanbesteding 2009 zijn de oorspronkelijke 4 categorieën naar zwaarte van hulp bij het huishouden vervangen door twee categorieën. Het besluit is daarop vorig jaar al aangepast.
Het onderscheid in categorieën heeft implicaties voor de vraag welke hulpverlener zal worden ingezet. De situatie waarin het hulp vragende huishouden verkeert, inclusief de regie en het regelvermogen van de aanvrager, en het ‘profiel’ van de hulpverlenende persoon moeten op elkaar aansluiten.
Tot ‘op de woning gerichte huishoudelijke werkzaamheden’ behoren de grovere werkzaamheden als stof afnemen, afwassen, opruimen, ramen zemen en het schoonmaken van het sanitair.
Onder ‘huishoudelijke werkzaamheden gericht op persoonlijke eigendommen’ vallen werkzaamheden die zich meer richten op persoonlijke eigendommen en lijfgoed. Denk hierbij aan taken als was of kleding opbergen, bed opmaken en het verzorgen van planten en huisdieren. Ook het incidenteel opwarmen van een maaltijd in de magnetron en het klaarzetten van de broodmaaltijd kan hieronder worden gerekend.
Voorbeelden van ‘activiteiten behorende bij de organisatie van het huishouden’ zijn het helpen bij het voorbereiden van de maaltijd, dagelijkse opvoedingsactiviteiten en administratieve werkzaamheden zoals het plannen en beheren van middelen met betrekking tot het huishouden.
Bij ‘activiteiten behorende bij een situatie van een ontregelde huishouding’ moet worden gedacht aan zaken als het instrueren over het omgaan met hulpmiddelen, textielverzorging, omgaan met het huishoudenbudget of begeleiding bij opvoeding.
Het koken in de zin van het volledig bereiden van een volwaardige maaltijd behoort slechts in tijdelijke noodsituaties tot de voorziening ‘hulp bij het huishouden’, omdat hiervoor voorliggende voorzieningen (Tafeltje Dek Je, kant-en-klaarmaaltijden, etc.) bestaan. Dit moet worden onderscheiden van het simpel opwarmen van een maaltijd waarvan hierboven sprake is.
Vanwege de verandering van 4 categorieomschrijvingen naar het hanteren van 2 categorieën wordt de volgende overgangsbepaling gehanteerd: bij bestaande klanten (dat wil zeggen die op 1-1-2009 een geldige indicatie in een van de vier soorten hadden) duurt de oude indicatie met de afgegeven categorie voort totdat herindicatie noodzakelijk danwel aan de orde is. Nieuwe klanten (d.w.z. die na 1-1-2009 een indicatie krijgen) krijgen hun indicatie in categorie A of B.
Artikel 4.2
Is ingevoegd om het gehanteerde dynamisch selectiemodel voor hulp bij het huishouden op hoofdlijnen in het Wmo-besluit op te nemen en te bepalen dat de cliënt voorafgaand aan de selectie de keuze moet maken voor een pgb en niet nadat de selectie en toewijzing heeft plaats gevonden. Dat laatste zou namelijk de gemeenten in de onwenselijk situatie brengen dat zij op cliëntniveau contractbreuk pleegt richting aanbieders.
Lid 5 is per 2012 aangepast omdat de voorkeur van de bestaande cliënt voor de bestaande aanbieder per 2012 absoluut is geworden.
Artikel 4.3 lid 1
De hier gehanteerde tarieven zijn getoetst aan de voorstellen van de landelijke belangenvereniging voor houders van een persoonsgebonden budget en landelijke bekende gemiddelden.Jjurisprudentie laat zien dat gemeenten voor beoordeling of de hoogte van het pgb toereikend is, niet gebonden zijn aan de tarieven voor de hulp in natura met instellingen als referentie. Het is vooral belangrijk of met het versterkte bedrag de compensatie kan worden bereikt. De particuliere inkoopmarkt van hulp bij het huishouden (de “witte” werkster) en het tarief voor een (gewezen) alfahulp kan/mag daarbij als referentiepunt worden genomen.
Veel gemeenten kennen inmiddels voor categorie A een PGB dat gelijk is aan de kosten van een werkster via een alfahulpconstructie (€ 12,50 à € 14,50) en soms nog een tweede PGB-tarief voor een hulp voor categorie A via een instelling voor Hulp bij het Huishouden. Het ligt is de reden deze ontwikkeling mee te nemen bij het herijken van de beleidsregels in het kader van een gekantelde verordening. Om deze reden wordt het tarief voor categorie A voor 2012 gelijk gehouden.
Het tarief voor categorie B (hulp waarbij professionele, gediplomeerde hulp een must is) stijgt mee met de kostprijshantering voor categorie B in natura richting het CAK.
Het is goed om te realiseren dat de gemeente naast het pgb-budget per budgethouder per maand minimaal € 2,50 betaald aan de Sociale Verzekeringsbank voor de ondersteuning van PGB-houders.
Artikel 4.3 lid 2
Dit lid bepaalt dat bestaande cliënten tot aan de herindicatie via de van de AWBZ-afgeleide systematiek hun persoonsgebonden budget blijven ontvangen. De genoemde bedragen zijn in 2012 licht naar boven bijgesteld met circa 1,5% indexering, zodat ze deelbaar zijn door 12 (maanden).
Hoofdstuk 5 Woonvoorzieningen Algemeen De hier opgenomen bepalingen zijn een neerslag van de in Leiden vóór 1 januari 2007 bestaande praktijk. Dat betekent dat de relevante bepalingen uit hoofdstuk 2 van de Verordening voorzieningen gehandicapten 2006 en het bijbehorende Financieel besluit, voor zover niet reeds opgenomen in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning in dit hoofdstuk een plaats hebben gevonden.
Artikel 5.1
Hiermee wordt aangegeven, dat wordt uitgegaan van de daadwerkelijk gemaakte kosten, indien deze lager uitvallen dan die van de geaccepteerde offerte.
Artikel 5.3, eerste lid Het hier genoemde bedrag van € 1.975,00 is afgeleid van de vóór 1 januari 2007 bestaande ‘Wvg-praktijk’ en in 2012 periodiek geïndexeerd.
Artikel 5.4 Hetzelfde als bovenstaande geldt voor het hier genoemde bedrag van € 4.050,00.
Artikel 5.11
De tekst van dit artikel is conform de regels van het landelijk Liftinstituut inzake het keuren en onderhouden van liften en met de Europese aanbesteding van de levering en het onderhoud van liften die in 2010 heeft plaatsgevonden en per 1 januari 2011 heeft geleid tot een nieuwe raamcontract met de bestaande leverancier.
Hoofdstuk 6 Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel Algemeen De hier opgenomen bepalingen zijn een neerslag van de in Leiden vóór 1 januari 2007 bestaande praktijk. Dat betekent dat de relevante bepalingen uit hoofdstuk 3 van de Verordening voorzieningen gehandicapten 2006 en het bijbehorende Financieel besluit, voor zover niet al opgenomen in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning, in dit hoofdstuk zijn opgenomen.
Artikel 6.4
In het vierde lid stond dat de gemeente voor de inkomensgrens en de bijbehorende bedragen voor vervoer kijkt naar de bijstandsnorm voor gehuwden. Per 2012, zo is het wetsontwerp, zal de bijstandsnorm voor gehuwden worden vervangen door de bijstandsnorm voor een gezin. Op deze terminologie is dit lid alvast aangepast. Mocht de wetswijziging toch niet doorgaan, dan zal de gemeente Leiden gewoon de bijstandsnorm voor gehuwden als norm blijven hanteren en zal in plaats van gezin “gehuwden” moeten worden gelezen en de nadere detaillering qua verwijzing binnen de Wwb-artikelen komt dan te vervallen.
Artikel 6.7, Een aantal bedragen zijn voor 2012 licht naar boven bijgesteld. Weliswaar is de Nationale stippenkaart verdwenen, maar de kosten voor de Wmo-cliënt per zone zullen in 2012 nog wel worden afgeleid van het (gewezen) strippenkaarttarief.
Artikel 6.8 en 6.9
De bedragen in het eerste lid zijn gerelateerd aan de huurprijzen van de goedkoopste adequate voorzieningen in natura. De opgenomen bedragen zijn per 2012 met circa 1,5% geïndexeerd.
6.8 lid 9 en 12
De mogelijkheid om een scootermobiel aangeschaft via een pgb bij overlijden, verhuizing of niet adequaat zijn, terug te geven aan de gemeente is vanwege onuitvoerbaarheid per 2011 geschrapt. De tabel voor terugbetaling van de restwaarde in deze gevallen is aangepast.
6.8 lid 11.
Indien een scootermobielgebruiker verhuist naar een andere gemeente, neemt deze laatste gemeente in het algemeen het beheer/verantwoordelijkheid van de voorziening over. Dit artikel is toegevoegd voor het geval de ontvangende gemeente niet wil meewerken.
Hoofdstuk 7 Overige manieren van verplaatsen Algemeen De hier opgenomen bepalingen zijn een neerslag van de in Leiden vóór 1 januari 2007 bestaande praktijk. Dat betekent dat de relevante bepalingen uit hoofdstuk 4 van de Verordening voorzieningen gehandicapten 2006 en het bijbehorende Financieel besluit, voor zover niet al opgenomen in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning , in dit hoofdstuk zijn opgenomen.
Artikel 7.2 en 7.3
De bedragen in het eerste lid zijn gerelateerd aan de huurprijzen van de goedkoopste adequate voorzieningen in natura. De opgenomen bedragen zijn per 2012 met circa 1,5% geïndexeerd.
7.2 lid 9 en 12
De mogelijkheid om een rolstoel aangeschaft via een pgb bij overlijden, verhuizing of niet adequaat zijn, terug te geven aan de gemeente is vanwege onuitvoerbaarheid per 2011 geschrapt. De tabel voor terugbetaling van de restwaarde in deze gevallen is aangepast.
Artikel 7.4 Het hier genoemde bedrag van € 2.500,00 is afgeleid van de vóór 1 januari 2007 bestaande ‘Wvg-praktijk’ en is in 2012 periodiek geïndexeerd.
Hoofdstuk 8 Slotbepalingen
Algemeen Deze artikelen zijn de voor regelgeving als deze gebruikelijke slotbepalingen.
Artikel 8.2, die bepaalt dat het College nadere (uitvoerings)regels kan stellen, bijvoorbeeld in het Handboek Voorzieningen Wmo, is in 2010 ingevoegd.
Toelichting op het besluit voorzieningen MO 2012
Inleiding
Naast de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning is er een Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning. Hierin zijn bij elkaar gebracht alle bedragen, die op basis van de verordening moeten worden vastgesteld, evenals de nadere regels waarnaar in de verordening al wordt vooruitgewezen.
Door het opnemen van alle bedragen in een Besluit is het niet nodig om bij wijziging van de bedragen, bijvoorbeeld omdat er aan de hand van de prijsindex een bijstelling daarvan plaatsvindt, de verordening te wijzigen. Een aanpassing van de betreffende bepalingen in het Besluit kan aanzienlijk sneller plaatsvinden via een collegebesluit.
Op grond van een rechterlijke uitspraak was de bepaling van de omvang van de eigen bijdrage sinds 2009 tijdelijk zekerheidshalve opgenomen in de Verordening maatschappelijke ondersteuning, in plaats van in dit besluit. Inmiddels heeft de Centrale Raad voor Beroep op 17 november 2010 een uitspraak gedaan deze zaak (08/5873 WMO + 08/6006 WMO + 08/6008 WMO). In deze uitspraak is aangegeven dat gemeenten de norm bedragen voor de eigenbijdrageregeling niet in de gemeentelijke verordening hoeven te hebben staan. Derhalve is teruggekeerd naar de oorspronkelijke systematiek waarbij de verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning geen bedragen bevat zodat de verordeningstekst geen jaarlijkse wijziging belooft.
Een omvattend onderwerp dat in het Besluit aan de orde komt is het persoonsgebonden budget. Van alle soorten voorzieningen waarvoor een persoonsgebonden budget mogelijk is wordt in het Besluit aangegeven hoe het bedrag daarvan wordt vastgesteld.
Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen Algemeen Hoewel het VNG-model geen begripsbepalingen biedt is het dienstig geacht om van een aantal begrippen toch een omschrijving op te nemen. De meeste hiervan zijn afkomstig uit de begripsbepalingen van de Verordening voorzieningen gehandicapten 2006.
Artikel 1.1, sub b De Wet (artikel 1, eerste lid, sub h) geeft als omschrijving van ‘hulp bij het huishouden’: “het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden van een persoon dan wel van de leefeenheid waartoe een persoon behoort”.
Artikel 1.1, sub d De toepassing van een ‘uitraasruimte’ staat beschreven in artikel 5.7, derde lid, van de Verordening.
Artikel 1.1, sub f-1
Hoewel hier wordt gesproken van ‘verplaatsing binnen de woonruimte, dan wel voor verplaatsing in en rondom de woning’, laat dit onverlet dat de rolstoel ook in de wijde omgeving kan worden gebruikt.
Artikel 1.1, sub f-2
Onder ‘een aanpassing aan de rolstoel’ vallen ook de handbike, beensteunen, etc.
De handbike is dus geen aparte voorziening, maar een aanpassing aan een rolstoel. Hij kan worden verstrekt als er een duidelijke behoefte is voor sportbeoefening (m.n. bij georganiseerde sportbeoefening), dan wel op grond van een medische noodzaak.
Artikel 1.1, sub t Ook in het Besluit wordt het begrip “aanvrager” omschreven. Het begrip staat weliswaar al in de Verordening omschreven, maar het is toch wenselijk geacht om dit nog eens te herhalen in het Besluit.
Hoofdstuk 2 Algemene bepalingen Artikel 2.1, eerste lid Deze bepaling sluit aan bij de omschrijving van het begrip ‘aanvrager’ in artikel 1.1, sub u, van de Verordening. Artikel 2.3, algemeen In dit hoofdstuk is geen bepaling opgenomen over een termijn voor het beschikken op een aanvraag. De algemene wettelijke termijn (Algemene wet bestuursrecht) bedraagt acht weken. Het verder preciseren van een termijn is niet zinvol, omdat de behandelingsduur van veel aanvragen mede afhankelijk is van een aantal door de gemeente niet te beïnvloeden factoren. Dat is met name het geval wanneer aan het CIZ om advies moet worden gevraagd. Wel zal de aanvrager, indien de aanvraag meer tijd vergt dan gebruikelijk, hiervan op de hoogte worden gesteld. Artikel 2.3, zesde lid Het motiveringsbeginsel van de beschikking wordt hier ten overvloede opgenomen, voor de duidelijkheid.
Hoofdstuk 3 Bijzondere regels over het persoonsgebonden budget
Artikel 3.1, eerste lid De strekking van deze bepaling is dat aan de aanvrager zal worden gevraagd om bij hulp bij het huishouden een expliciete keuze te maken tussen een verstrekking in natura of een verstrekking in de vorm van persoonsgebonden budget, waaronder een vergoeding voor het inhuren van een alfahulp. De recente wetswijziging schrijft voor dat in het geval van een persoonsgebonden budget voor een alfahulp er sprake moet zijn van “geïnformeerde toestemming” van de aanvrager.
Artikel 3.1, tweede lid Deze bepaling is een uitwerking van artikel 3.4, eerste lid, sub b, van de Verordening. Het begrip “goedkoopst adequaat” moet worden begrepen als volgt: eerst wordt onderzocht welke oplossingen adequaat zijn en vervolgens wordt van deze de goedkoopste gekozen.
In de toelichting van de verordening is al aangegeven dat bij het bepalen van de hoogte van het persoonsgebonden budget wordt gekregen naar de te verstrekken goedkoopst adequate voorziening in de natura (beter gezegd de compensatie die via die voorziening wordt geboden). De gewijzigde wet spreekt van een “vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget” (artikel 6 van de wet). Dit dient gelezen te worden als dat het persoonsgebonden budget toereikend dient te zijn om tot een met natura vergelijkbare compensatie van de beperking te komen. Als referentiepunt voor de budgetbepaling is het resultaat (het compenseren van de beperking via een pgb door de burger) belangrijker dan het bedrag dat de gemeente kwijt is in natura.
Artikel 3.1, derde lid (nieuw)
Er is hier een derde lid toegevoegd waarin staat aangegeven dat het budget voor hulp bij het huishouden pas daadwerkelijk wordt overgemaakt, nadat de gemeente een overeenkomst tussen cliënt en hulpverlener heeft ontvangen. Op deze wijze heeft de gemeente een toetssteen bij de controle achteraf na het einde van het kalenderjaar.
Artikel 3.2 Deze bepaling is een uitwerking van artikel 3.1, eerste lid, van de Verordening.
Het gaat hierbij om concrete aanwijzingen die leiden tot een ernstig vermoeden van onvermogen in het omgaan van betrokkene met een persoonsgebonden budget. Niet alleen de fysieke en mentale vermogens van de aanvrager zijn van belang, maar ook de omstandigheid of een andere persoon deze taak voor hem waarneemt of kan overnemen. Hierbij moet worden gedacht aan een wettelijke vertegenwoordiger (mentor of bewindvoerder) of een betrouwbare zaakwaarnemer. Artikel 3.3, tweede lid De controle vindt dus plaats na afloop van de periode die met de verstrekking is gemoeid. Beslaat deze periode meerdere kalenderjaren, dan vindt een jaarlijkse controle plaats.
Artikel 3.3, vierde lid De verantwoording van het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming betreft het hele budget inclusief de eigen betaling en exclusief het deel dat hieronder in het 5e lid is beschreven.
Artikel 3.3, vijfde lid Deze bepaling omschrijft welke gedeelte van het persoonsgebonden budget als ‘vrij besteedbaar’ kan worden beschouwd. Ook in de informatie bij de individuele beschikking zal hierop worden gewezen. Voor 2012 is het minimale verantwoordingsvrije bedrag gewijzigd van € 250 naar minimaal € 100, omdat € 250 op een budget van nog geen € 1000 een te groot bedrag wordt gevonden. Ook het maximale bedrag van € 1250 is bijgesteld, omdat 1,5% van het hoogste budget slechts ruim € 200 is en € 1250 dus simpelweg nooit zal voorkomen, dus € 250 wordt een logischer bedrag geacht;
Hoofdstuk 3a Bijzondere regels over de eigen bijdrage Algemeen De vraag ligt voor de hand of er geen anti-cumulatiebepaling gewenst is om stapeling van eigen bijdragen, denk bijv. aan ziektekosten, kosten van aangepast schoeisel en overige AWBZ-regelingen, tegen te gaan. De Wmo is echter preferent ten opzichte van andere regelgeving, zodat een dergelijke bepaling met betrekking tot eigen bijdragen niet nodig is. In de toelichting bij de Algemene maatregel van bestuur is hierover het volgende opgemerkt: “Anders dan bij de Wvg gaat de Wmo-bijdrage thans voor op de AWBZ. Dit betekent dat burgers die voor een bepaalde Wmo-voorziening reeds een eigen bijdrage betalen, maar daarvoor het maximum nog niet hebben bereikt, voor de AWBZ slechts een eigen bijdrage betalen tot dat voor hen geldende maximum. Dit geldt ook voor de eigen bijdrage die in mindering wordt gebracht op het persoonsgebonden budget op grond van de AWBZ.” Door deze bepaling is ook het totaal van de eigen bijdrage die de gemeente zelf kan vragen aan aanvragers die verschillende voorzieningen tegelijk hebben, aan grenzen gebonden.
Artikel 3.4 lid 1
De hier genoemde bedragen zijn afkomstig uit de Algemene maatregel van bestuur (besluit maatschappelijke ondersteuning van 2 oktober 2006, laatst gewijzigd 17 november 2010), en zoals nadien bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie.
Deze bedragen zijn bovengrenzen; gemeenten kunnen ook lagere beginbedragen, hogere drempelinkomens en een lager percentage als 15% hanteren. Dit kan alleen gelijkmatig voor alle groepen tegelijkertijd. Aanpassingen ervan hebben grote budgettaire consequenties.
De Rijksoverheid geeft sinds 1 januari 2009 aan cliënten met een Wmo en/of AWBZ eigen bijdrage via het CAK een korting van 33% op de totaal te betalen eigen bijdragen. Deze compensatiemaatregel is door het Rijk ingevoerd vanwege de beperking van de fiscale aftrek van bijzondere ziektekosten. Het Rijk bepaalt en betaalt deze maatregel, dit gaat buiten de gemeenten om.
Artikel 3.4 lid 2
Hier wordt geregeld dat de maximale periode waarover een eigen bijdrage voor een scootermobiel kan worden gevraagd maximaal 3 kalenderjaren is. De eigen bijdrage wordt per periode van 4 weken geheven.
Artikel 3.4 lid 3
Volgens de Wet maatschappelijke ondersteuning mag de eigen bijdrage nooit meer bedragen dan de kostprijs van de voorziening. In dit artikel worden de kostprijzen vastgesteld. De bedoeling is dat de hoogte van de kostprijs voor hulp bij het huishouden gelijk aan de minimale tarieven die verwacht worden als uitkomst van het Dynamische Selectiemodel bij hulp in natura. Het bedrag voor scootmobielen is afgeleid van het huurbedrag dat de gemeente gemiddeld maandelijks betaalt voor het betreffende model aan de drie gecontracteerde leveranciers.
Artikel 3.5 Het hier gehanteerde inkomensbegrip is eveneens afkomstig uit de Algemene maatregel van bestuur en sluit aan bij de bestaande praktijk met betrekking tot het verstrekken van hulp bij het huishouden (huishoudelijke verzorging).
Artikelen 3.6 en 3.7 Ook deze artikelen zijn overgenomen uit de Algemene maatregel van bestuur.
Hoofdstuk 4 Hulp bij het huishouden
Artikel 4.1
In het kader van de aanbesteding 2009 zijn de oorspronkelijke 4 categorieën naar zwaarte van hulp bij het huishouden vervangen door twee categorieën. Het besluit is daarop vorig jaar al aangepast.
Het onderscheid in categorieën heeft implicaties voor de vraag welke hulpverlener zal worden ingezet. De situatie waarin het hulp vragende huishouden verkeert, inclusief de regie en het regelvermogen van de aanvrager, en het ‘profiel’ van de hulpverlenende persoon moeten op elkaar aansluiten.
Tot ‘op de woning gerichte huishoudelijke werkzaamheden’ behoren de grovere werkzaamheden als stof afnemen, afwassen, opruimen, ramen zemen en het schoonmaken van het sanitair.
Onder ‘huishoudelijke werkzaamheden gericht op persoonlijke eigendommen’ vallen werkzaamheden die zich meer richten op persoonlijke eigendommen en lijfgoed. Denk hierbij aan taken als was of kleding opbergen, bed opmaken en het verzorgen van planten en huisdieren. Ook het incidenteel opwarmen van een maaltijd in de magnetron en het klaarzetten van de broodmaaltijd kan hieronder worden gerekend.
Voorbeelden van ‘activiteiten behorende bij de organisatie van het huishouden’ zijn het helpen bij het voorbereiden van de maaltijd, dagelijkse opvoedingsactiviteiten en administratieve werkzaamheden zoals het plannen en beheren van middelen met betrekking tot het huishouden.
Bij ‘activiteiten behorende bij een situatie van een ontregelde huishouding’ moet worden gedacht aan zaken als het instrueren over het omgaan met hulpmiddelen, textielverzorging, omgaan met het huishoudenbudget of begeleiding bij opvoeding.
Het koken in de zin van het volledig bereiden van een volwaardige maaltijd behoort slechts in tijdelijke noodsituaties tot de voorziening ‘hulp bij het huishouden’, omdat hiervoor voorliggende voorzieningen (Tafeltje Dek Je, kant-en-klaarmaaltijden, etc.) bestaan. Dit moet worden onderscheiden van het simpel opwarmen van een maaltijd waarvan hierboven sprake is.
Vanwege de verandering van 4 categorieomschrijvingen naar het hanteren van 2 categorieën wordt de volgende overgangsbepaling gehanteerd: bij bestaande klanten (dat wil zeggen die op 1-1-2009 een geldige indicatie in een van de vier soorten hadden) duurt de oude indicatie met de afgegeven categorie voort totdat herindicatie noodzakelijk danwel aan de orde is. Nieuwe klanten (d.w.z. die na 1-1-2009 een indicatie krijgen) krijgen hun indicatie in categorie A of B.
Artikel 4.2
Is ingevoegd om het gehanteerde dynamisch selectiemodel voor hulp bij het huishouden op hoofdlijnen in het Wmo-besluit op te nemen en te bepalen dat de cliënt voorafgaand aan de selectie de keuze moet maken voor een pgb en niet nadat de selectie en toewijzing heeft plaats gevonden. Dat laatste zou namelijk de gemeenten in de onwenselijk situatie brengen dat zij op cliëntniveau contractbreuk pleegt richting aanbieders.
Lid 5 is per 2012 aangepast omdat de voorkeur van de bestaande cliënt voor de bestaande aanbieder per 2012 absoluut is geworden.
Artikel 4.3 lid 1
De hier gehanteerde tarieven zijn getoetst aan de voorstellen van de landelijke belangenvereniging voor houders van een persoonsgebonden budget en landelijke bekende gemiddelden.Jjurisprudentie laat zien dat gemeenten voor beoordeling of de hoogte van het pgb toereikend is, niet gebonden zijn aan de tarieven voor de hulp in natura met instellingen als referentie. Het is vooral belangrijk of met het versterkte bedrag de compensatie kan worden bereikt. De particuliere inkoopmarkt van hulp bij het huishouden (de “witte” werkster) en het tarief voor een (gewezen) alfahulp kan/mag daarbij als referentiepunt worden genomen.
Veel gemeenten kennen inmiddels voor categorie A een PGB dat gelijk is aan de kosten van een werkster via een alfahulpconstructie (€ 12,50 à € 14,50) en soms nog een tweede PGB-tarief voor een hulp voor categorie A via een instelling voor Hulp bij het Huishouden. Het ligt is de reden deze ontwikkeling mee te nemen bij het herijken van de beleidsregels in het kader van een gekantelde verordening. Om deze reden wordt het tarief voor categorie A voor 2012 gelijk gehouden.
Het tarief voor categorie B (hulp waarbij professionele, gediplomeerde hulp een must is) stijgt mee met de kostprijshantering voor categorie B in natura richting het CAK.
Het is goed om te realiseren dat de gemeente naast het pgb-budget per budgethouder per maand minimaal € 2,50 betaald aan de Sociale Verzekeringsbank voor de ondersteuning van PGB-houders.
Artikel 4.3 lid 2
Dit lid bepaalt dat bestaande cliënten tot aan de herindicatie via de van de AWBZ-afgeleide systematiek hun persoonsgebonden budget blijven ontvangen. De genoemde bedragen zijn in 2012 licht naar boven bijgesteld met circa 1,5% indexering, zodat ze deelbaar zijn door 12 (maanden).
Hoofdstuk 5 Woonvoorzieningen Algemeen De hier opgenomen bepalingen zijn een neerslag van de in Leiden vóór 1 januari 2007 bestaande praktijk. Dat betekent dat de relevante bepalingen uit hoofdstuk 2 van de Verordening voorzieningen gehandicapten 2006 en het bijbehorende Financieel besluit, voor zover niet reeds opgenomen in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning in dit hoofdstuk een plaats hebben gevonden.
Artikel 5.1
Hiermee wordt aangegeven, dat wordt uitgegaan van de daadwerkelijk gemaakte kosten, indien deze lager uitvallen dan die van de geaccepteerde offerte.
Artikel 5.3, eerste lid Het hier genoemde bedrag van € 1.975,00 is afgeleid van de vóór 1 januari 2007 bestaande ‘Wvg-praktijk’ en in 2012 periodiek geïndexeerd.
Artikel 5.4 Hetzelfde als bovenstaande geldt voor het hier genoemde bedrag van € 4.050,00.
Artikel 5.11
De tekst van dit artikel is conform de regels van het landelijk Liftinstituut inzake het keuren en onderhouden van liften en met de Europese aanbesteding van de levering en het onderhoud van liften die in 2010 heeft plaatsgevonden en per 1 januari 2011 heeft geleid tot een nieuwe raamcontract met de bestaande leverancier.
Hoofdstuk 6 Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel Algemeen De hier opgenomen bepalingen zijn een neerslag van de in Leiden vóór 1 januari 2007 bestaande praktijk. Dat betekent dat de relevante bepalingen uit hoofdstuk 3 van de Verordening voorzieningen gehandicapten 2006 en het bijbehorende Financieel besluit, voor zover niet al opgenomen in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning, in dit hoofdstuk zijn opgenomen.
Artikel 6.4
In het vierde lid stond dat de gemeente voor de inkomensgrens en de bijbehorende bedragen voor vervoer kijkt naar de bijstandsnorm voor gehuwden. Per 2012, zo is het wetsontwerp, zal de bijstandsnorm voor gehuwden worden vervangen door de bijstandsnorm voor een gezin. Op deze terminologie is dit lid alvast aangepast. Mocht de wetswijziging toch niet doorgaan, dan zal de gemeente Leiden gewoon de bijstandsnorm voor gehuwden als norm blijven hanteren en zal in plaats van gezin “gehuwden” moeten worden gelezen en de nadere detaillering qua verwijzing binnen de Wwb-artikelen komt dan te vervallen.
Artikel 6.7, Een aantal bedragen zijn voor 2012 licht naar boven bijgesteld. Weliswaar is de Nationale stippenkaart verdwenen, maar de kosten voor de Wmo-cliënt per zone zullen in 2012 nog wel worden afgeleid van het (gewezen) strippenkaarttarief.
Artikel 6.8 en 6.9
De bedragen in het eerste lid zijn gerelateerd aan de huurprijzen van de goedkoopste adequate voorzieningen in natura. De opgenomen bedragen zijn per 2012 met circa 1,5% geïndexeerd.
6.8 lid 9 en 12
De mogelijkheid om een scootermobiel aangeschaft via een pgb bij overlijden, verhuizing of niet adequaat zijn, terug te geven aan de gemeente is vanwege onuitvoerbaarheid per 2011 geschrapt. De tabel voor terugbetaling van de restwaarde in deze gevallen is aangepast.
6.8 lid 11.
Indien een scootermobielgebruiker verhuist naar een andere gemeente, neemt deze laatste gemeente in het algemeen het beheer/verantwoordelijkheid van de voorziening over. Dit artikel is toegevoegd voor het geval de ontvangende gemeente niet wil meewerken.
Hoofdstuk 7 Overige manieren van verplaatsen Algemeen De hier opgenomen bepalingen zijn een neerslag van de in Leiden vóór 1 januari 2007 bestaande praktijk. Dat betekent dat de relevante bepalingen uit hoofdstuk 4 van de Verordening voorzieningen gehandicapten 2006 en het bijbehorende Financieel besluit, voor zover niet al opgenomen in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning , in dit hoofdstuk zijn opgenomen.
Artikel 7.2 en 7.3
De bedragen in het eerste lid zijn gerelateerd aan de huurprijzen van de goedkoopste adequate voorzieningen in natura. De opgenomen bedragen zijn per 2012 met circa 1,5% geïndexeerd.
7.2 lid 9 en 12
De mogelijkheid om een rolstoel aangeschaft via een pgb bij overlijden, verhuizing of niet adequaat zijn, terug te geven aan de gemeente is vanwege onuitvoerbaarheid per 2011 geschrapt. De tabel voor terugbetaling van de restwaarde in deze gevallen is aangepast.
Artikel 7.4 Het hier genoemde bedrag van € 2.500,00 is afgeleid van de vóór 1 januari 2007 bestaande ‘Wvg-praktijk’ en is in 2012 periodiek geïndexeerd.
Hoofdstuk 8 Slotbepalingen
Algemeen Deze artikelen zijn de voor regelgeving als deze gebruikelijke slotbepalingen.
Artikel 8.2, die bepaalt dat het College nadere (uitvoerings)regels kan stellen, bijvoorbeeld in het Handboek Voorzieningen Wmo, is in 2010 ingevoegd.
Hoofdstuk
Artikel 8.4
Artikel 8.4
Onderdeel van Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2012
Verwijzingen
- Artikel 5
- artikel 3
- Artikel 7
- Artikel 3
- Artikel 3
- Artikel 2
- Artikel 1
- Artikel 3
- Artikel 3
- artikel 5
- Artikel 3
- Artikel 4
- Artikel 1
- Artikel 3
- Artikel 7
- Artikel 1
- artikel 3
- Artikel 7
- Artikel 3
- Artikel 4
- artikel 3
- Artikel 1
- Artikel 3
- Artikel 8
- Artikel 3
- Artikel 5
- Artikel 4
- Artikel 3
- Artikel 4
- Artikel 3
- Artikel 3
- Artikel 6
- Artikel 3
- Artikel 4
- Artikel 1
- Artikel 5
- Artikel 4
- Artikel 6
- Artikel 5
- Artikel 5
- Artikel 2
- Artikel 3
- Artikel 6
- Artikel 3
- Artikel 1
- Artikel 2
- Artikel 3
- Artikel 3
- Artikel 3
- Artikel 2
- Artikel 5
- Artikel 1
- Artikel 1
- Artikel 3
- artikel 5
- Artikel 2
- Artikel 5
- artikel 1
- Artikel 3
- Artikel 6
- artikel 3
- Artikel 1
- Artikel 7
- Artikel 3
- artikel 1
- Artikel 4
- Artikel 2
- Artikel 6
- artikel 1
- Artikel 5
- Artikel 6
- Artikel 1
- artikel 1
- Artikel 3
- Artikel 4
- Artikel 8