Het college ziet af van het opleggen van een verlaging indien:
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of
de gedraging meer dan twaalf maanden vóór constatering
van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden,
tenzij de gedraging een schending van de
inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die
gedraging ten onrechte bijstand is verleend. Een
verlaging wegens schending van de inlichtingenplicht
wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de
betreffende gedraging heeft plaatsgevonden.
Het college kan afzien van het opleggen van een verlaging indien
het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
Indien het college afziet van het opleggen van een verlaging op
grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
schriftelijk mededeling gedaan.
Hoofdstuk
Artikel 6.
Afzien van het opleggen van een verlaging
Onderdeel van Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand