**1.** Een voorziening kan slechts worden toegekend indien de ondersteuningsvrager door zijn beperking niet in staat is het openbaar vervoer te bereiken of te gebruiken.
**2.** De in artikel 5.1 lid 2 onder a en lid 4 onder a tot en met d genoemde voorzieningen worden niet toegekend indien het (gezamenlijk) inkomen van de ondersteuningsvrager hoger is dan een door burgemeester en wethouders te bepalen grens.
**3.** Bij de verlening van de voorzieningen genoemd in artikel 5.1 lid 2 onder a en lid 4 onder a tot en met d kan rekening worden gehouden met:
a. de individuele vervoersbehoefte van de ondersteuningsvrager;
b. de mate waarin de voorziening genoemd in artikel 5.1 lid 2 onder c en d en lid 3 onder b en c in de individuele vervoersbehoefte kan voorzien; en
c. de mate waarin de vervoersbehoeften van partners samenvallen.
**4.** Met ingang van 1 maart 2012 wordt de inkomensgrens voor een collectieve vervoersvoorziening (CVV) genoemd in artikel 5.1 lid 1 en lid 2 onder a gewijzigd. De inkomensgrens wordt in het Biv nader uitgewerkt.
**5.** De inkomensgrens voor een vervoersvoorziening bedoeld in artikel 5.1 lid 2 b tot en met d, lid 3 en lid 4 wordt vastgesteld op 1,5 keer het norminkomen.
**6.** Burgemeester en wethouders kunnen de in artikel 5.1 onder 2 sub c en d genoemde voorzieningen beëindigen indien sprake is van kennelijk onvoldoende of ondeskundig gebruik.