Naar hoofdinhoud
De commissie kan omtrent het in de vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken, die aan haar zijn of worden voorgelegd, geheimhouding opleggen. De ingevolge het eerste lid opgelegde geheimhouding wordt zowel door degenen, die bij de behandeling tegenwoordig waren alsmede door hen, die op andere wijze van het behandelde en van de stukken kennis nemen, inachtgenomen totdat de commissie de geheimhouding opheft. In geval de voorzitter bezwaar heeft tegen een besluit tot opheffing van de geheimhouding verzoekt hij het college van burgemeester en wethouders hieromtrent een beslissing te nemen. Het college van burgemeester en wethouders beslist binnen 14 dagen over een verzoek, als bedoeld in het derde lid van dit artikel. Bij toepassing van het derde lid, blijft de verplichting tot geheimhouding van kracht, tot het tijdstip waarop het college van burgemeester en wethouders een beslissing neemt. De voorzitter van de commissie kan omtrent de inhoud van de stukken voorlopige geheimhouding opleggen. Bij toezending van of overhandiging van de stukken wordt dit aan de leden kenbaar gemaakt. De verplichting tot voorlopige geheimhouding vervalt, indien zij niet in de eerstvolgende vergadering, waarin het volgens artikel 10 vereiste aantal leden aanwezig is, door de commissie wordt bekrachtigd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel