Voorafgaand aan de raadsvergadering er een mogelijkheid tot het
stellen van vragen, tenzij er bij de voorzitter geen vragen zijn
ingediend. In bijzondere gevallen kan het presidium bepalen dat
de mogelijkheid op een ander tijdstip wordt gegeven. De
voorzitter bepaalt op welk tijdstip de mogelijkheid tot het
stellen van vragen eindigt.
Het lid van de raad dat van de mogelijkheid tot het stellen van
vragen gebruik wil maken, meldt dit onder aanduiding van het
onderwerp ten minste 48 uur voor aanvang van het in lid 1
genoemde recht bij de voorzitter. De voorzitter kan na overleg
met het presidium weigeren een onderwerp aan de orde te stellen
indien hij het onderwerp niet voldoende nauwkeurig acht
aangegeven of indien het onderwerp in de raadsvergadering op
diezelfde dag aan de orde komt.
De voorzitter bepaalt de volgorde, waarin aangemelde onderwerpen
aan de orde worden gesteld.
De voorzitter bepaalt per onderwerp de spreektijd voor de
vragensteller, voor de wethouders, voor de burgemeester en voor
de overige leden van de raad.
Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend om
één of meer vragen aan het college of de burgemeester te stellen
en een toelichting daarop te geven.
Na de beantwoording door het college of de burgemeester krijgt
de vragensteller desgewenst het woord om aanvullende vragen te
stellen.
Vervolgens kan de voorzitter aan andere leden van de raad het
woord verlenen om hetzij aan de vragensteller, hetzij aan het
college vragen te stellen over hetzelfde onderwerp.
Tijdens de in lid 1 genoemde mogelijkheid tot het stellen van
vragen kunnen geen moties worden ingediend en worden geen
interrupties toegelaten.
Hoofdstuk
Artikel 39
Vragenrecht
Onderdeel van Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad