**1..** De belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel a, wordt geheven van degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd.
**2..** Als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt: a. degene die de belasting voldoet dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen; b. zolang geen voldoening van de belasting genoemd in artikel 10, onder a, heeft plaatsgevonden: de houder van het motorvoertuig met dien verstande dat: 1º indien een voor ten hoogste drie maanden aangegane huur- of leaseovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder of gebruiker van het motorvoertuig was, niet de houder maar de huurder of gebruiker wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd; 2º indien blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd.
**3..** De belasting genoemd in artikel 10, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die op de voet van het tweede lid, onderdeel b, als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt aangemerkt, indien deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het motorvoertuig heeft gebruik gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen.
**4..** De belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel b, wordt geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd.
**5..** De belastingen genoemd in artikel 10, onderdeel a en b, zijn niet verschuldigd indien het voertuig voorzien is van een geldige gehandicaptenparkeerkaart, mits deze zodanig in of aan het motorvoertuig is geplaatst, dat deze -met het oog op toezicht en controle- van buitenaf goed zicht- en leesbaar is. Deze vrijstelling geldt niet voor runshopplaatsen en autodateplaatsen.
Hoofdstuk IV
Artikel 11
Belastingplicht
Onderdeel van Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Delft 2012