In het beleidsplan, als bedoeld in artikel 3, wordt vastgelegd
welke voorzieningen het college in ieder geval kan aanbieden,
alsmede de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in
deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.
Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die
voortvloeien uit de wet, aan de voorziening nadere
verplichtingen verbinden.
Het college kan een voorziening beëindigen:
indien de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
verplichtingen als bedoeld in artikel 9 van de wet of artikel 6 lid 2 van deze verordening niet
nakomt;
indien de persoon die aan de voorziening deelneemt niet
meer behoort tot de doelgroep van de wet of deze
verordening;
indien de persoon algemeen geaccepteerde arbeid
aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van deze
voorziening;
Indien naar het oordeel van het college de voorziening
onvoldoende bijdraagt aan een snelle
arbeidsinschakeling.
Het college kan ten aanzien van de voorzieningen, bedoeld in de
artikelen 9 tot en met 16 nadere regels stellen. Deze regels
kunnen betrekking hebben op :
De voorwaarden waaronder een voorziening wordt
aangeboden.
De weigeringsgronden bij het aanbieden van
voorzieningen.
De intrekking of wijziging van de subsidieverlening of
subsidievaststelling.
De aanvraag van en de besluitvorming over subsidies en
premies.
De betaling van subsidies en het verlenen van
voorschotten.
Het vragen van een eigen bijdrage.
Overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en
het verstrekken van subsidies.
Hoofdstuk
Artikel 8
Algemene bepalingen over voorzieningen
Onderdeel van Reïntegratieverordening wet werk en bijstand