Het is verboden om zonder of in afwijking van een vergunning het
archeologisch bodemarchief met daarin de archeologische
restanten in de breedste zin des woords in een gemeentelijk
monument, bedoeld in artikel 1, lid 2 onder b, in een terrein
met een hoge archeologische waarde (AMK-terrein) of met een hoge
of middelhoge archeologische verwachting, zoals aangegeven op de
gemeentelijke archeologische beleidskaart, dieper dan 50 cm
onder maaiveld te verstoren, te beschadigen of te vernielen, als
beschreven in artikel 2.2. van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht.
Het verbod in lid 1 is niet van toepassing:
bij bodemingrepen die minder diep gaan dan 50 cm onder
maaiveld met een omvang van minder dan 50 m2 met een
vastgestelde archeologische waarde binnen de contouren
van de binnenstad als aangegeven op de gemeentelijke
archeologische beleidskaart;
bij bodemingrepen die minder diep gaan dan 50 cm onder
maaiveld met een omvang van minder dan 100 m2 in
gebieden met een vastgestelde archeologische waarde
(AMK-terreinen) en hoge en middelhoge archeologische
verwachting buiten de contouren van de binnenstad als
aangegeven op de gemeentelijke archeologische
beleidskaart;
bij bodemingrepen met een omvang van minder dan 50.000
m2 (= 5 ha) in gebieden met een lage archeologische
verwachting als aangegeven op de gemeentelijke
archeologische beleidskaart, met uitzondering van
projecten die MER-plichtig zijn. Dit is tevens van
toepassing op gebieden kleiner dan 5 ha waarvoor een
ontgrondingsvergunning wordt aangevraagd;
indien een rapport is overlegd waarin de aan- of
afwezigheid van een archeologische vindplaats van het te
verstoren terrein naar het oordeel van de bevoegde
overheid in voldoende mate is vastgesteld en waaruit
blijkt dat:
het behoud van de archeologische waarden naar
oordeel van de bevoegde overheid in voldoende mate
kan worden geborgd; of
de archeologische waarden door de verstoring
niet onevenredig worden geschaad; of
in het geheel geen archeologische waarden
aanwezig zijn;
reeds een opgraving heeft plaatsgevonden en de
aangetroffen archeologische resten ex situ worden
bewaard;
indien kan worden aangetoond dat in het gebied reeds
verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de
te verwachten archeologische resten.
Het verbod in lid 1 is ook niet van toepassing indien:
in het geldende, door de bevoegde overheid goedgekeurde
bestemmingsplan door de bevoegde overheid bepalingen
zijn opgenomen omtrent archeologische
monumentenzorg;
er sprake is een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° en
tweede lid, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht voorschriften zijn opgenomen
omtrent archeologische monumentenzorg.
Voor de toepassing van het bepaalde in de vorige leden wordt het
totaal van de bodemingrepen die plaatsvinden binnen een
tijdsbestek van 1 jaar dan wel betrekking hebben op hetzelfde
kadastrale perceel aangemerkt als bodemingrepen waarvoor het
verbod als bedoeld in lid 1 niet van toepassing is.