Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 13

Instandhoudingsbepaling

Onderdeel van Erfgoedverordening Oosterhout 2012

Het is verboden om zonder of in afwijking van een vergunning het archeologisch bodemarchief met daarin de archeologische restanten in de breedste zin des woords in een gemeentelijk monument, bedoeld in artikel 1, lid 2 onder b, in een terrein met een hoge archeologische waarde (AMK-terrein) of met een hoge of middelhoge archeologische verwachting, zoals aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart, dieper dan 50 cm onder maaiveld te verstoren, te beschadigen of te vernielen, als beschreven in artikel 2.2. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing: bij bodemingrepen die minder diep gaan dan 50 cm onder maaiveld met een omvang van minder dan 50 m2 met een vastgestelde archeologische waarde binnen de contouren van de binnenstad als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart; bij bodemingrepen die minder diep gaan dan 50 cm onder maaiveld met een omvang van minder dan 100 m2 in gebieden met een vastgestelde archeologische waarde (AMK-terreinen) en hoge en middelhoge archeologische verwachting buiten de contouren van de binnenstad als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart; bij bodemingrepen met een omvang van minder dan 50.000 m2 (= 5 ha) in gebieden met een lage archeologische verwachting als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart, met uitzondering van projecten die MER-plichtig zijn. Dit is tevens van toepassing op gebieden kleiner dan 5 ha waarvoor een ontgrondingsvergunning wordt aangevraagd; indien een rapport is overlegd waarin de aan- of afwezigheid van een archeologische vindplaats van het te verstoren terrein naar het oordeel van de bevoegde overheid in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: het behoud van de archeologische waarden naar oordeel van de bevoegde overheid in voldoende mate kan worden geborgd; of de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn; reeds een opgraving heeft plaatsgevonden en de aangetroffen archeologische resten ex situ worden bewaard; indien kan worden aangetoond dat in het gebied reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische resten. Het verbod in lid 1 is ook niet van toepassing indien: in het geldende, door de bevoegde overheid goedgekeurde bestemmingsplan door de bevoegde overheid bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; er sprake is een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg. Voor de toepassing van het bepaalde in de vorige leden wordt het totaal van de bodemingrepen die plaatsvinden binnen een tijdsbestek van 1 jaar dan wel betrekking hebben op hetzelfde kadastrale perceel aangemerkt als bodemingrepen waarvoor het verbod als bedoeld in lid 1 niet van toepassing is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel