Het college kan bepalen dat een terrein in het belang van
archeologisch onderzoek wordt betreden, dat daarop metingen
worden verricht, dan wel daarin opgravingen worden gedaan, voor
zover dat onderzoek dient ter voorbereiding of ter uitvoering
van een besluit als bedoeld in de artikelen 3.1, 3.6, 3.10, 3.22
of 3.23 van de Wet op de ruimtelijke ordening. De rechthebbende
t.a.v. dit terrein moet desgevraagd dulden dat dit terrein in
het belang van archeologisch onderzoek wordt betreden, dat
daarop metingen worden verricht, dan wel daarin opgravingen
worden gedaan.
Artikel 5.27 van de Algemene wet bestuursrecht is
van toepassing.