Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende,
een monument aanwijzen als gemeentelijk monument.
Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt
zij advies aan de commissie voor Welstand en Monumenten, aan
degenen die in de kadastrale registratie als eigenaar en beperkt
gerechtigde staan vermeld, de hypothecaire schuldeisers en, als
om de aanwijzing is verzocht, de verzoeker.
Voordat het college een kerkelijk monument aanwijst, voert zij
tevens overleg met de eigenaar. Indien een aangewezen kerkelijk
monument de wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening
verliest, wordt het geacht te zijn aangewezen als gemeentelijk
monument.
Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk
monument ontvangt tot het moment dat de registratie als bedoeld
in artikel 6 plaatsheeft of vaststaat dat het monument niet
wordt aangewezen zijn de artikelen in 9 tot en met 15 van
overeenkomstige toepassing.
Het college kan bepalen dat ten behoeve van de aanwijzing van
een monument als gemeentelijk monument een bouwhistorisch- en/of
non-destructief archeologisch onderzoek wordt verricht.
De aanwijzing als gemeentelijk monument kan geen object
betreffen dat onherroepelijk is aangewezen als rijksmonument op
grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of als
provinciaal monument op grond van de monumentenverordening van
de provincie Noord-Brabant.
De commissie voor Welstand en Monumenten adviseert schriftelijk
binnen twaalf weken na ontvangst van het verzoek van het
college.
Het college beslist binnen 12 weken na ontvangst van het advies
van de commissie voor Welstand en Monumenten, maar in ieder
geval binnen 30 weken na de adviesaanvraag.
Indien geen advies is gegeven binnen de in lid 8 genoemde
termijn, betekent dit niet dat de vergunning van rechtswege
plaatsvindt.
De aanwijzing als bedoeld in lid 1 wordt medegedeeld aan degenen
die in de kadastrale registratie als eigenaar en beperkt
gerechtigde staan vermeld, aan de ingeschreven hypothecaire
schuldeisers en, indien om aanwijzing is verzocht, aan de
verzoeker.
De aanwijzing wordt onverwijld opgenomen in de openbare
registers zoals bedoeld in artikel 1, onderdeel e. van de Wet kenbaarheid
publiekrechtelijke beperkingen en onroerende
zaken.