Naar hoofdinhoud
1.. Het periodiek overleg van de Klantenraad Werk en Bijstand wordt voorgezeten door een voorzitter. 2.. De voorzitter wordt door het college benoemd op persoonlijke titel op voordracht van de Klantenraad Werk en Bijstand. 3.. Bij afwezigheid van de voorzitter wijst de Klantenraad Werk en Bijstand uit zijn midden een vervanger aan. 4.. De voorzitter bepaalt in overleg met de Klantenraad de tijd en plaats van de vergaderingen. De voorzitter ondertekent de stukken die van de Klantenraad Werk en Bijstand uitgaan en draagt tevens zorg voor: het goed functioneren van het secretariaat van de Klantenraad Werk en Bijstand het tijdig aankondigen van het overleg en het opmaken van een verslag van gevoerd (periodiek) overleg en het tijdig opmaken van een jaarplan een jaarlijkse begroting en een (financieel) verantwoordingsverslag over het voorafgaande jaar.

Rechtspraak bij dit artikel