Eerste lid: In de gezinsnorm is al rekening gehouden met het feit dat de gezinsleden de kosten van
hun huishouden volledig kunnen delen met elkaar. Indien in de woning nog een ander niet zijnde een gezinslid zijn hoofdverblijf heeft, kunnen de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan nog verder gedeeld worden. Gekozen is voor een verlaging van 10 procent van de gezinsnorm, ongeacht het aantal anderen dat in de woning zijn hoofdverblijf heeft en met wie de kosten gedeeld kunnen worden. Evenals bij alleenstaanden wordt bij meerdere personen met wie de woonkosten gedeeld kunnen worden en die in de woning hun hoofdverblijf hebben geen noemenswaardige vermindering van de algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan aanwezig geacht. Daarbij moet ook bedacht worden dat in de
praktijk bij meer bewoners van een woning, het ook vaak om een grotere en duurdere woning gaat,zodat de feitelijke kosten van het bestaan doorgaans niet lager uitvallen dan in gevallen waarin maar
één ander zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.
Tweede lid: Indien er sprake is van een situatie van drie of meer meerderjarige gezinsleden kan ter inkomensondersteuning, compensatiemaatregelen getroffen worden. Dit kan onder andere gevonden worden in het afzien van een verlaging van de toeslag in verband met het kunnen delen van kosten.
Derde lid: Bij het inwonende studerende en schoolgaande kind met resp. WSF2000 of WTOS en bij een inkomen tot 80% van het wettelijk minimum loon aangenomen dat het kind geen kosten kan delen.
Verzorgingsbehoevenden worden eveneens niet meegeteld als personen die in dezelfde woning hun
hoofdverblijf hebben. Uitgangspunt daarbij is dat het niet wenselijk is om belanghebbenden vanwege
deze verzorgingstaken te confronteren met een verlaging van de norm. Dit om te bevorderen dat er minder snel een beroep wordt gedaan op de AWBZ instellingen en de professionele thuiszorg.