Burgemeester en wethouders kennen aan de ambtenaar, die is ingedeeld in één van de door hen nader te bepalen salarisschalen, een inconveniëntentoelage toe wanneer naar het oordeel van burgemeester en wethouders sprake is van een omstandigheid, voortvloeiende uit het werk, de werkmethode en of de werkomgeving, die - afhankelijk van algemeen maatschappelijke factoren - als extra bezwarend wordt ervaren, die in redelijkheid niet vermijdbaar is en die als zodanig een extra beroep doet op de bereidheid onder een dergelijke omstandigheid de werkzaamheden te verrichten.
De inconveniëntentoelage wordt ingetrokken, indien voor de ambtenaar een salarisschaal gaat gelden die niet valt onder de nader te bepalen salarisschalen als bedoeld in het eerste lid en/of de gronden waarop de toelage werd toegekend niet meer aanwezig zijn. De toelage wordt evenwel niet ingetrokken, indien burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat er omstandigheden zijn om de toelage geheel of gedeeltelijk te handhaven.
Burgemeester en wethouders stellen voor de uitvoering van dit artikel nadere regels vast.