Indien een ambtenaar, op basis van de regeling als bedoeld in
artikel 6, lid 4, onvoldoende functioneert, kan worden bepaald
dat voor hem de in artikel 8 bedoelde salarisverhogingen
achterwege worden gelaten.
Nadien kan worden bepaald dat de salarisverhogingen, welke met
toepassing van het eerste lid achterwege zijn gelaten, al dan
niet met terugwerkende kracht, alsnog worden toegekend.
Van een beslissing tot toepassing van het eerste lid wordt de
ambtenaar zo spoedig mogelijk, doch in elk geval voor de datum
waarop anders de salarisverhoging zou ingaan, schriftelijk
mededeling gedaan, onder vermelding van de redenen welke tot de
beslissing hebben geleid.