Bij het vaststellen van de aanspraak op hulp bij het huishouden wordt allereerst bezie of en in hoeverre eventueel andere huisgenoten binnen de leefeenheid zelf de problemen kunnen oplossen. In de door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen beleidsregels wordt het ‘Protocol zorg voor elkaar: gebruikelijke zorg in Eindhoven’ opgenomen. Hierin is bepaald hoe er rekening wordt gehouden met gebruikelijke zorg bij het vaststellen van een aanspraak op een voorziening voor hulp bij het huishouden. Dit is van toepassing zolang er geen onevenredig beroep wordt gedaan op de draaglast en draagkracht van de belanghebbende en/of zijn huisgenoten.
Op basis van het Besluit zorgaanspraken wordt het begrip leefeenheid als volgt gedefinieerd: ‘leefeenheid: een eenheid bestaande uit gehuwde personen die al dan niet tezamen met één of meer ongehuwde minderjarige personen duurzaam een huishouden voeren, dan wel bestaande uit een meerderjarige ongehuwde persoon die met één of meer ongehuwde minderjarige personen duurzaam een huishouden voert.’ Onder gehuwde personen worden ook begrepen de ongehuwd samenwonenden en andere volwassenen die met elkaar en/of met kinderen samenwonen. Derhalve worden met deze definitie alle bewoners van één adres die samen een duurzame huishouding voeren inbegrepen in het begrip leefeenheid. Indien er sprake is van kamerverhuur, wordt de huurder van de betreffende ruimte niet tot het huishouden c.q. de leefeenheid gerekend. Een soortgelijke positie wordt ingenomen door mensen die omwille van hun zorgbehoefte op één adres ieder zelfstandig wonen. Denk hierbij aan woongemeenschappen van kloosterlingen, ouderen of gehandicapten. Ook hier is dus geen sprake van een leefeenheid.
Hoofdstuk 3.
Artikel 4.3.
Randvoorwaarden hulp bij het huishouden.
Onderdeel van Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Eindhoven (2012)