In de WVW 1994 is het kader aangegeven waarbinnen het college gebruik kan maken van zijn bevoegdheid tot het wegslepen van voertuigen. Hoewel de bevoegdheid tot het wegslepen van voertuigen in de wet is neergelegd, kan het college pas goed van deze bevoegdheid gebruikmaken wanneer de gemeenteraad in een verordening nadere regels heeft gesteld over de toepassing van deze bevoegdheid, zoals in artikel 173, tweede lid van de wet wordt voorgeschreven. In deze verordening dienen in elk geval regels te worden gesteld over:
de aanwijzing van de plaats(en) waar de weggesleepte voertuigen worden bewaard;
de berekening van de kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van het wegslepen/verplaatsen en bewaren van voertuigen;
de eventuele aanwijzing van wegen en weggedeelten waar op grond van artikel 170, eerste lid, onder c WVW 1994 voertuigen mogen worden weggesleept.
Aangezien in artikel 173, tweede lid van de wet wordt aangegeven dat de nadere regels bij gemeentelijke verordening moeten worden gesteld, kunnen de hiervoor genoemde onderwerpen niet worden gedelegeerd aan het college. De uitwerking van de nadere regels van de verordening kan wel door het college geschieden (bijvoorbeeld door middel van beleidsregels).
Wegsleepwaardige overtredingen
In de wegsleepverordening kan concreet worden aangegeven in welke gevallen er sprake kan zijn van een wegsleepwaardige overtreding. Hiervoor wordt vaak aansluiting gezocht bij de delictsomschrijvingen uit de WVW 1994 of het RVV 1990. Zo'n aanpak kan uit praktisch oogpunt wellicht wenselijk zijn omdat degene die met de uitvoering van de wegsleepregeling is belast, direct uit de regeling kan afleiden of een voertuig mag worden weggesleept. Toch hebben wij bij het opstellen van deze wegsleepverordening ervoor gekozen om deze gevallen niet concreet in de verordening op te nemen. Enerzijds om nodeloze beperkingen te voorkomen die kunnen optreden wanneer in de verordening zelf concreet wordt aangegeven welke wegsleepwaardige overtredingen worden onderscheiden. Op grond van artikel 170, eerste lid WVW 1994 kunnen immers voertuigen waarmee én een verkeersregel wordt overtreden én waarvan de verwijdering noodzakelijk is worden weggesleept in verband met het belang van:
de veiligheid op de weg of;
de vrijheid van het verkeer of;
het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen.
Een tweede reden om de gevallen niet concreet te vermelden, is dat anders het gevaar bestaat dat de delictsomschrijvingen uit de wegenverkeerswetgeving en de Wegsleepverordening niet naadloos op elkaar aansluiten. Wanneer dit het geval is, bestaat er de kans dat de gemeente in eventuele bezwaar- en beroepsprocedures om formele redenen in het ongelijk wordt gesteld. Daarnaast geldt uiteraard ook dat zaken niet dubbel moeten worden geregeld. Bovendien zou bij elke wijziging in de desbetreffende onderdelen van de wegenverkeerswetgeving ook de Wegsleepverordening moeten worden aangepast. Om die redenen hebben wij ervoor gekozen om de delictsomschrijvingen niet in de wegsleepverordening op te nemen, maar te volstaan met een Wegsleepverordening waarin alleen zaken zijn geregeld die aanvullend moeten en kunnen worden geregeld. Om toch enig houvast te bieden bij de toepassing van de Wegsleepverordening hebben wij onderstaand aangegeven in welke concrete gevallen er sprake kan zijn van een wegsleepwaardige overtreding van de wegenverkeerswetgeving (was in de wegsleepverordening 2007, bijlage 1).
A. Veiligheid op de weg en vrijheid van het verkeer Als gevallen waarin verwijdering, overbrenging en inbewaringstelling van voertuigen in het belang van de veiligheid op de weg en de vrijheid van het verkeer (zie artikel 170, eerste lid, aanhef en onder a en b WVW 1994) noodzakelijk kunnen zijn, kunnen worden genoemd:
Plaats op de weg
a. een voertuig is tot stilstand gebracht op een trottoir, voetpad of fietspad, tenzij het een fiets, bromfiets of invalidenvoertuig betreft (zie artikel 10 en artikel 5 tot en met 7 RVV 1990).
Laten stilstaan
b. een voertuig is tot stilstand gebracht:
op een kruispunt, rotonde of een overweg;
op een fietsstrook of de rijbaan langs een fietsstrook;
op een oversteekplaats of binnen een afstand van 5 meter daarvan;
in een tunnel;
bij een bord bushalte (eventueel: ook tramhalte) ter hoogte van de geblokte markering of, indien die markering niet is aangebracht, op een afstand van minder dan 12 meter van het bord, tenzij het stilstaan dient voor het onmiddellijk laten in- en uitstappen van passagiers;
op de rijbaan langs een busstrook;
op een busbaan of een busstrook met uitzondering van een lijnbus;
langs een gele doorgetrokken streep of in strijd met bord E2 van bijlage 1 RVV 1990; op de rijbaan, inclusief de invoeg- en uitrijstrook, van een autosnelweg of autoweg, of - behoudens in noodgevallen - op de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm van zo'n weg. (Zie artikel 23, 43, tweede lid, en 81 RVV 1990 en bord E2 van bijlage 1 bij het RVV 1990.)
Parkeren
c. een voertuig is geparkeerd:
bij een kruispunt op een afstand van minder dan 5 meter daarvan;
voor een inrit of een uitrit;
buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg;
langs een gele onderbroken streep of in strijd met bord E1 van bijlage 1 RVV 1990;
op een wijze waardoor er sprake is van dubbel parkeren;
binnen een erf, waarbij - voor zover het een motorvoertuig betreft - geen gebruik is gemaakt van de parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangewezen;
op een weg waarvoor een geslotenverklaring geldt;
zonder dat de voorgeschreven voertuigverlichting in werking is gesteld; (Zie artikel 24, 25, 38 e.v. en 46 RVV 1990 en bord E1 van bijlage 1 bij het RVV 1990.)
Bevel of aanwijzing
d. een voertuig is tot stilstand gebracht in strijd met een bevel of een aanwijzing, gegeven door een daartoe bevoegd en als zodanig kenbare ambtenaar of ander persoon; (Zie artikel 82 RVV 1990.)
Gevaarlijk of hinderlijk gedrag
e. een voertuig is overigens zodanig tot stilstand gebracht of geparkeerd dat gevaar op de weg wordt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt of kan worden gehinderd. (Zie artikel 5 WVW 1994, het zogenaamde kapstokartikel.)
Toelichting
Hiervoor zijn diverse wegsleepwaardige overtredingen van de wegenverkeerswetgeving opgenomen, waarbij het motief ligt bij de verkeersveiligheid en de doorstroming van het verkeer. Zoals reeds in de algemene toelichting is aangegeven, zal van geval tot geval beoordeeld moeten worden of de geconstateerde parkeerovertreding ook daadwerkelijk wegsleepwaardig is. In onderdeel a gaat het om overtreding van artikel 10 RVV 1990. Bestuurders van voertuigen, met uitzondering van fietsen, bromfietsen en invalidenvoertuigen (zie artikel 5 tot en met 7 RVV 1990), gebruiken de rijbaan. Zij mogen hun voertuig niet parkeren op een trottoir, voetpad of fietspad. In onderdeel b gaat het om overtreding van het bepaalde in artikel 23, 43, tweede lid, en 81 RVV 1990 en bord E2 van bijlage 1 bij het RVV 1990. In onderdeel c is er sprake van overtreding van het bepaalde in artikel 24, 25, 38 e.v. en 46 RVV 1990 en bord E1 van bijlage 1 bij het RVV 1990. In onderdeel d wordt gedoeld op overtreding van het bepaalde in artikel 82 RVV 1990. In onderdeel e gaat het om overtreding van het bepaalde in artikel 5 WVW 1994, het kapstokartikel. Op grond van deze bepaling is het verboden zich zodanig te gedragen dat er gevaar op de weg wordt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt of kan worden gehinderd. De inhoud van deze bepaling is zo ruim dat ongewenst gedrag op de weg, i.c. ongewenst parkeren, dat niet reeds in onderdeel a tot en met d is geregeld, doorgaans onder deze bepaling kan worden gebracht.
B. Vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen Verwijdering, overbrenging en inbewaringstelling van voertuigen in het belang van het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen (zie artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c WVW 1994 en artikel 2 Besluit wegslepen van voertuigen) kunnen noodzakelijk zijn in het geval dat een voertuig geparkeerd is:
op een weg of weggedeelte waar door middel van bord E1 van bijlage 1 van het RVV 1990 of door middel van een gele onderbroken streep als bedoeld in artikel 24, lid 1 onder e RVV 1990 wordt aangegeven dat ter plaatse een parkeerverbod geldt;
op een weg of weggedeelte waar door middel van bord E2 van die bijlage of door middel van een gele doorgetrokken streep als bedoeld in artikel 23, lid 1 onder g RVV 1990 wordt aangegeven dat ter plaatse een verbod stil te staan geldt;
op een parkeerplaats nader aangeduid door bord E4 van die bijlage (al dan niet met onderbord) voor zover:
het voertuig niet behoort tot de toegelaten categorie of groep voertuigen;
het voertuig niet behoort tot de toegelaten categorie of groep voertuigen;
het voertuig op een andere dan de aangegeven wijze is geparkeerd;
het voertuig op andere dagen of uren dan aangegeven is geparkeerd;
op een taxistandplaats, nader aangeduid door bord E5 van die bijlage, tenzij het parkeren gebeurt met een taxi;
op een gehandicaptenparkeerplaats, nader aangeduid met bord E6 van die bijlage:
tenzij het parkeren gebeurt met een gehandicaptenvoertuig;
tenzij gebruik wordt gemaakt van een geldige en duidelijk zichtbaar aangebrachte gehandicaptenparkeerkaart;
die gereserveerd is voor een bepaald voertuig, tenzij het parkeren gebeurt met dat voertuig;
op een laad- en losplaats, nader aangeduid door bord E7 van die bijlage (met uitzondering van de aangegeven dagen of uren), tenzij de bestuurder van het voertuig bezig is met het onmiddellijk laden en lossen van goederen;
op een parkeerplaats, nader aangeduid door bord E8 van die bijlage voor zover het voertuig niet behoort tot de toegelaten categorie of groep voertuigen;
op een parkeerplaats, nader aangeduid door bord E9 van die bijlage en bestemd voor vergunninghouders, tenzij het parkeren gebeurt met het voertuig waarvoor een parkeervergunning is afgegeven;
in een voetgangersgebied, nader aangeduid door bord G7 of C1 van die bijlage (eventueel: met uitzondering van aangegeven dagen en uren.
Toelichting
Hiervoor zijn diverse wegsleepwaardige overtredingen van de wegenverkeerswetgeving opgenomen, waarbij het motief niet zozeer ligt bij de verkeersveiligheid en de doorstroming van het verkeer, maar wel bij het vrijhouden van wegen en weggedeelten. In artikel 2 van het Besluit wegslepen van voertuigen is concreet aangegeven op welke soorten wegen en weggedeelten voertuigen mogen worden weggesleept in het belang van het vrijhouden van wegen en weggedeelten. Deze soorten wegen en weggedeelten zijn voorgaand onder a tot en met i nader aangeduid.
Wegslepen/verplaatsen van voertuigen en kostenverhaal
Als het noodzakelijk is om een voertuig weg te slepen, kan dit op verschillende wijzen worden uitgevoerd. Allereerst kan een voertuig worden meegevoerd door het
wegsleepbedrijf en daar ook worden bewaard. Wanneer de overtreder zijn voertuig komt ophalen, dient deze direct de gemaakte kosten contant aan het wegsleepbedrijf te betalen. Met deze betaling is de procedure van kostenverhaal voor het wegslepen afgerond. Het kan ook voorkomen dat een voertuig slechts hoeft te worden verplaatst en niet helemaal wordt weggesleept en bewaard. In een dergelijk geval zal het wegsleepbedrijf het college een rekening sturen voor de gemaakte kosten. Het college zal vervolgens overgaan tot kostenverhaal op de overtreder.
Als overtreder in de zin van artikel 5:25 Awb (kostenverhaal) kan volgens de jurisprudentie alleen de daadwerkelijke overtreder worden aangemerkt. Wanneer een voertuig door het wegsleepbedrijf wordt weggesleept en vervolgens zich iemand meldt om het voertuig op te halen, moge duidelijk zijn dat diegene – als bestuurder- in beginsel als daadwerkelijke overtreder kan worden aangemerkt. Het is dan ook juridisch zuiver dat deze persoon de kosten van het wegslepen direct aan het wegsleepbedrijf dient te voldoen.
Mocht degene die het voertuig komt afhalen beweren niet de daadwerkelijke overtreder te zijn, dan slaagt dit beroep niet, aangezien artikel 170, tweede lid Wegenverkeerswet bepaalt dat bij de
toepassing van artikel 5:25 Awb de rechthebbende die het voertuig afhaalt, in de plaats van de overtreder treedt.
Ingewikkelder wordt het als een voertuig slechts wordt verplaatst en niet naar de
bewaarplaats van het wegsleepbedrijf wordt gebracht. In dat geval zal de daadwerkelijke overtreder zich immers niet hoeven melden om het voertuig op te halen. In dat geval is dus slechts aan de hand van het kenteken van het verplaatste voertuig te bepalen wie de eigenaar is. De situatie is mogelijk dat de eigenaar niet de daadwerkelijke overtreder is.
De vraag rijst dan of in de verhaalsbeschikking moet worden aangegeven wie het college ziet als overtreder. Dit hoeft het college niet te doen, aangezien de wetgever in artikel 170, tweede lid Wegenverkeerswet de verplichting van artikel 5:25, tweede lid Awb om in de beschikking aan te geven dat de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder plaatsvindt, niet van toepassing heeft verklaard op bestuursdwang met betrekking tot het wegslepen van voertuigen. De wetgever heeft hiermee uitdrukkelijk beoogd om een effectieve verhaalsuitoefening voor bestuursorganen mogelijk te maken en hen niet voor onnodige bewijsrechtelijke problemen te stellen.
Mocht de persoon op wie de kosten zijn verhaald objectief kunnen onderbouwen dat niet hij maar een ander de daadwerkelijke overtreder is geweest, dan kan het college de kosten op laatstgenoemde persoon verhalen.
Tot slot wijzen wij nog op het bepaalde in artikel 170, zesde lid WVW 1994.
Hierin wordt bepaald dat een voertuig niet kan worden weggesleept, indien de rechthebbende het voertuig verwijdert voordat met de overbrenging wordt begonnen. In de wet wordt niet expliciet aangegeven wanneer met de overbrenging wordt begonnen. In de dagelijkse praktijk wordt ervan uitgegaan dat pas met de overbrenging wordt begonnen wanneer het voertuig zich in de takels van het wegsleepvoertuig bevindt. Indien de rechthebbende zich eerder bij zijn voertuig meldt, mag het voertuig niet meer worden weggesleept. Wel zal de
rechthebbende alle aan de voorbereiding van de overbrenging verbonden kosten dienen te vergoeden, waarbij met name kan worden gedacht aan de voorrijkosten van het sleepvoertuig en administratieve kosten.