Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf 2.

Artikel 8.

Bewonersvergunning

Onderdeel van Uitwerkingsbesluit Parkeren 2012

1.. Onverminderd het gestelde in artikel 6, kan het college aan een bewoner, op aanvraag een bewonersvergunning verlenen voor het vergunninggebied waarin hij woonachtig is, indien: a.. hij houder is van een motorvoertuig of brommobiel, en b.. uit de Gemeentelijke Basisadministratie blijkt dat hij woonachtig is in een gebied waar het parkeren met een vergunning mogelijk is, zoals gedefinieerd in art 3 van dit besluit, c.. er aan hem of een andere bewoner van de zelfstandige woning waar hij woonachtig niet reeds een bewonersvergunning voor het betreffende gebied is verstrekt, en/of d.. er aan hem niet reeds een andere parkeervergunning is verstrekt. 2.. Het maximaal aantal bewonersvergunningen dat kan worden verstrekt bedraagt: a.. in de gebieden 26021 en 26031, 26032 en 26033 2 vergunningen per zelfstandige woning. b.. In de overige gebieden 1 vergunning per zelfstandige woning. 3.. Indien de aanvrager beschikt, zou kunnen beschikken of had kunnen beschikken over een eigen parkeervoorziening wordt geen bewonersvergunning verstrekt. 4.. Onder een eigen parkeervoorziening wordt in ieder geval verstaan: a.. een oprit op eigen terrein met een minimale lengte van 5,50 meter en een breedte van 2,50 meter; b.. een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken op de openbare weg; c.. een parkeerplaats - huur of koop - op het terrein of in de garage van een complex waarvan in de bouwvergunning, de huur- of koopovereenkomst of de erfpachtvoorwaarden is vastgelegd dat deze bedoeld is als parkeergelegenheid voor de zelfstandige woning van de aanvrager; d.. een parkeerplaats die vermeld staat in het door het college vastgestelde overzicht van POET. 5.. Een bewonersvergunning wordt verleend op kenteken. 6.. Een bewonersvergunning is een vergunningjaar geldig. 7.. Aan de bewonersvergunning kunnen voorschriften worden verbonden met betrekking tot het gebruik van de vergunning en beperkingen zowel met betrekking tot de te gebruiken parkeerplaatsen als met betrekking tot de tijdstippen waarop de vergunning van kracht is. 8.. Het college kan in bijzondere gevallen een vergunning ook verlenen aan houders van motorvoertuigen die niet voldoen aan één van de in het eerste lid genoemde voorwaarden, met dien verstande dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld, waarbij gelijk hierbij betrekking heeft op het parkeergedrag annex parkeernoodzakelijkheid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel