Voor de toepassing van deze verordening
wordt verstaan onder:
parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of
laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd
die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in-
of uitstappen van personen, dan wel het onmiddellijk laden
of lossen van goederen op binnen de gemeente gelegen voor
het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten
waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk
voorschrift is verboden;
houder: degene die naar de omstandigheden als houder van een
voertuig moet worden beschouwd, met dien verstande dat voor
een motorvoertuig dat is ingeschreven in het krachtens de
Wegenverkeerswet (Staatsblad 1994, nr. 475) aangehouden
register van opgegeven kentekens, als houder wordt
aangemerkt degene op wiens naam het voor het motorvoertuig
opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren in het
register was ingeschreven;
parkeerapparatuur: parkeermeters, voor het betalen van de
parkeerbelasting ingerichte mobiele telefoons,
parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters,
centrale computer en hetgeen naar maatschappelijke opvatting
overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan;
centrale computer: een computer van de gemeente dan wel een
computer van het bedrijf waarmee de gemeente een
overeenkomst heeft gesloten, bestemd voor de registratie van
parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten
op het gebied van betaald parkeren met gebruik van een
telefoon of ander communicatiemiddel;
parkeerapparatuurplaats: een parkeerplaats waarvoor
parkeerbelasting wordt geheven, behorende bij de
parkeerapparatuur;
vergunning:een van gemeentewege verleende vergunning voor
het parkeren (parkeervergunning) zoals geregeld en
beschreven in de Parkeerverordening 2009;
parkeerduurbeperking: beperking in tijdsduur van de
Parkeerhandeling, alles overeenkomstig het bepaalde in de
Parkeerverordening 2009.