**1..** De belasting, bedoeld in art. 1,
onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte, en
wel door middel van het, bij aanvang van het parkeren, werpen van
geld in parkeerapparatuur en/of door middel van het al dan niet
elektronisch in werking stellen van parkeerapparatuur. Van de
verschuldigde belasting per tijdseenheid wordt op of via de
parkeerapparatuur of in de daarbij geleverde gebruiksaanwijzing
kennisgegeven. Ten aanzien van het hier voorafgaande bepaalde moet
de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen één
maand na het einde van het parkeren, indien het bij de aanvang van
het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt
door het via een telefoon of ander communicatiemiddel inloggen op de
centrale computer.
**2..** De belasting, bedoeld in art. 1,
onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en
moet worden betaald bij het verlenen van de vergunning. Voldoen via
een daartoe afgegeven machtiging tot automatische incasso wordt hier
met betalen gelijkgesteld.
**3..** Indien de belastingplicht met
betrekking tot de belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel b, in de
loop van de zes maanden waarvoor de vergunning is verleend, eindigt,
bestaat aanspraak op ontheffing over zoveel volle kalendermaanden
als er in die periode na het tijdstip van de beëindiging van de
belastingplicht nog resteren. De Parkeerverordening 2009 geeft de
voorwaarden bij de beëindiging van de vergunning.
**4..** Een naheffingsaanslag moet terstond,
inclusief de kosten van de naheffings-aanslag zoals bedoeld in art.
9, en voor zover van toepassing verhoogd met de andere kosten zoals
bedoeld in art. 9, worden betaald.