Indien de beraadslaging is gesloten, of gebleken is, dat geen beraadslaging wordt gewenst over een uit te brengen advies aan de raad, formuleert de voorzitter het uit te brengen advies en stelt vast welke van de in de vergadering vertegenwoordigde fracties “vóór” of “tegen” dat advies zijn dan wel zich van het innemen van een standpunt onthouden.
Hoofdstuk 1:
Artikel 21