Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, intrekken:
indien blijkt, dat de vergunning tengevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
indien binnen zes maanden na dagtekening van de vergunning geen begin met de werkzaamheden is gemaakt;
indien tussen het begin en het einde van de werkzaamheden deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van zes maanden stilliggen;
indien de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nageleefd;
indien de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen.