Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4.

Artikel 13.

Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Onderdeel van Maatregelenverordening Wwb, IOAW, IOAZ Bloemendaal 2012

1.. Indien een belanghebbende blijk geeft van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, zoals bedoeld in artikel 18, tweede lid Wwb of artikel 20 IOAW/Z, in de periode voorafgaand aan de bijstandsverlening kan een maatregel worden opgelegd. 2.. In afwijking van het eerste lid kan ook bij incidentele of periodieke bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag een maatregel worden opgelegd wanneer er sprake is van betoond tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De hoogte van de maatregel is afhankelijk van het betoonde tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. 3.. Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in het eerste lid wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag zoals hieronder is aangegeven: bij een benadelingsbedrag tot € 1000,-: 10% van de bijstandsnorm gedurende één maand; bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,-: 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand; bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-: 40% van de bijstandsnorm gedurende één maand; bij een benadelingsbedrag van € 4000,- of meer: 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand. 4.. Bij het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid in de periode voorafgaand aan de bijstansverlening wordt een maatregel opgelegd overeenkomstig artikel 9, tweede lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel