Bij de invordering van de afvalstoffenheffing, onroerende-zaakbelastingen en de rioolheffing, vindt ten aanzien van kwijtschelding het bepaalde in hoofdstuk 2, artikel 16 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 toepassing met dien verstande, dat de kosten van bestaan worden vastgesteld op 100 procent van de genormeerde bijstanduitkering.
Ter beoordeling van de aanvraag om kwijtschelding vindt een toetsing van het bank- en/of spaartegoed plaats op basis van de bedragen vastgesteld in artikel 34, derde lid van de Wet werk en bijstand. Voor de overige vermogensbestanddelen vindt een toets plaats aan de hand van hetgeen bepaald is in artikel 12 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990.
Aan een natuurlijk persoon die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent wordt alleen kwijtschelding verleend voor de privébelastingen, dat wil zeggen voor die belastingen die worden geheven voor de woning.
Wijze van aanvraag kwijtschelding