De regels met betrekking tot het verlagen van de inkomensvoorziening, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, van de wet, luiden als volgt:
Voor de toepassing van artikel 41, eerste lid, van de wet, zijn de artikelen 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 18 en 19 van de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand van overeenkomstige toepassing.
Voor het verlagen van de inkomensvoorziening als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet, zijn de artikelen 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 11, 12, 13, 14, 18 en 19 van de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand van overeenkomstige toepassing.
Voor het verlagen van de inkomensvoorziening als gevolg van schending van de overige verplichtingen, bedoeld in artikel 45, van de wet, zijn de artikelen 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 17, 18 en 19 van de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand van overeenkomstige toepassing.
Voor het verlagen van de inkomensvoorziening als gevolg van zeer ernstige misdragingen als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de wet, zijn de artikelen 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 16, 18, en 19 van de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand van overeenkomstige toepassing.
PARAGRAAF 2
Artikel 3.
Het verlagen van de inkomensvoorziening
Onderdeel van Tijdelijke regels in het kader van de Wet investeren in jongeren