Naar hoofdinhoud
1. Een voorziening kan slechts worden toegekend indien de ondersteuningsbehoe-vende door zijn beperkingen niet in staat is het openbaar vervoer te bereiken of te gebruiken. 2. Bij de verlening van de voorzieningen genoemd in artikel 24 lid 2 onder b tot en met j kan rekening worden gehouden met: de individuele vervoersbehoefte van de ondersteuningsbehoevende; de mate waarin de voorziening genoemd in artikel 24 lid 2 onder a in de individuele vervoersbehoefte kan voorzien en de mate waarin de vervoersbehoeften van partners samenvallen. 3. Een ondersteuningsbehoevende kan eerst dan voor een voorziening in de vorm van een open elektrische buitenwagen in aanmerking worden gebracht indien hij slechts honderd meter kan lopen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel