Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4. › Paragraaf 1.Tijdstip

Artikel 15.

Spreekrecht burgers

Onderdeel van Verordening op de raadscommissies

1.. Er wordt onderscheid gemaakt tussen insprekers over onderwerpen die niet op de agenda staan en onderwerpen die wel op de agenda staan. 2.. Insprekers over onderwerpen die niet op de agenda staan mogen het woord voeren bij het begin van de agenda. 3.. Insprekers over onderwerpen die op de agenda staan krijgen het woord bij de behandeling van het betreffende agendapunt. 4.. De voor het spreekrecht beschikbare tijd bedraagt per vergadering maximaal 30 minuten, onafhankelijk van het aantal insprekers of agendapunten. 5.. Het woord kan niet gevoerd worden over: a.. een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar en beroep openstaat of heeft opengestaan; b.. benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen; c.. een gedraging waarover een klacht ex artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan of kon worden ingediend. 6.. Degene, die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit ten minste een half uur voor de aanvang van de vergadering aan de griffier. 7.. De voorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding. De voorzitter kan van de volgorde afwijken, indien dit in het belang is van de orde van de vergadering. 8.. Elke spreker krijgt maximaal vijf minuten het woord. De voorzitter verdeelt de spreektijd evenredig over de sprekers als er meer dan zes sprekers zijn. De voorzitter kan tevens in bijzondere gevallen afwijken van de maximale lengte van de spreektijd, zoals bedoeld in lid 4. 9.. De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft verleend. De voorzitter kan de deelnemers aan de commissievergadering toestaan aan insprekers een korte, verhelderende vraag te stellen. Er vindt geen discussie plaats tussen een inspreker en deelnemers van de vergadering. Na de beantwoording van de verhelderende vragen keert de inspreker terug naar de publieke tribune.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel