1. Voor de berekening en inning van zeehavengeld worden de havens van partijen bij de samenwerkingsregeling zeehavengeld in dit verband als één havencomplex beschouwd. Partijen bij genoemde regeling hanteren daartoe eenzelfde tariefstruc¬tuur, tarieven en gelijke heffingstijdvakken. Opgave inzake en betaling van zeehavengeld kan derhalve het verblijf in één, maar ook in meer havens in het havengebied Rijnmond/Moerdijk betreffen.
2. Ter bepaling van de verblijfsduur wordt het verblijf voorts geacht niet te zijn onderbroken wanneer het zeeschip:
a. het havengebied Rijnmond/Moerdijk uitsluitend heeft verlaten voor een periode van ten hoogste twee maal 24 uur, op aanwijzing van of vanwege de havenmeester om buitengaats te wachten op het vrijkomen van een ligplaats, te ontgassen of schoonmaakhandelingen te verrichten;
b. het havengebied Rijnmond/Moerdijk uitsluitend heeft verlaten:
- in landinwaartse richting voor een periode van ten hoogste twee maanden om
herstellingen te ondergaan aan een scheepsreparatie-inrichting in Nederland of
- om een proefvaart te maken, en het schip onmiddellijk na afloop daarvan in het
havengebied Rijnmond/Moerdijk terugkeert.
3. Als een zeeschip het havengebied Rijnmond/Moerdijk landinwaarts verlaat en, zonder tussentijds buitengaats te komen, binnen twee maanden weer bezoekt om vervolgens de haven in buitengaatse richting te verlaten, wordt het eerste en tweede verblijf als één verblijf beschouwd.
Artikel 5
Samenwerkingsregeling zeehavengeld, verblijfsduur, achterlandregeling
Onderdeel van Zeehavengeldverordening Vlaardingen 2012