De burgemeester verleent in elk geval ontheffing van het in artikel 3, 3e lid bedoelde verbod aan de leidinggevende, die zich vestigt in een inrichting, waarin op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een horecabedrijf overeenkomstig de bepalingen van de wet werd uitgeoefend, terwijl het pand waarin de inrichting was gevestigd nadien voor geen ander doel is gebruikt.