Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
de wet: de Wet op de kansspelen;
Speelautomatenbesluit: KB van 23 mei 2000, Stb. 223;
speelautomaat: een toestel, ingericht voor de beoefening van een
spel, dat bestaat uit een door de speler in werking gesteld
mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, waarbij het resultaat
kan leiden tot de middellijke of onmiddellijke uitkering van prijzen
of premies, daaronder begrepen het recht om gratis verder te
spelen;
behendigheidsautomaat: een speelautomaat waarvan het spelresultaat
uitsluitend kan leiden tot een verlengde speelduur of het recht op
gratis spellen en het proces, ook nadat het in werking is gesteld,
door de speler kan worden beïnvloed en het geheel of vrijwel geheel
van zijn inzicht en behendigheid bij het gebruik van de daartoe
geboden middelen afhangt of en in welke mate de speelduur verlengd
of het recht op gratis spelen verkregen wordt;
kansspelautomaat: een speelautomaat die geen behendigheidsautomaat
is;
Speelautomatenhal: een inrichting, bestemd om het publiek
gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten te
beoefenen, als bedoeld in artikel 30 c, eerste lid, onder c, van de
wet;
ondernemer: de natuurlijke of rechtspersoon die de
speelautomatenhal exploiteert;
beheerder: degene die met het dagelijks toezicht en de onmiddellijke
leiding in de speelautomatenhal is belast;
openbare weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer
openstaande wegen of paden, de tot die wegen of paden behorende
bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen of paden liggende en
als zodanig aangeduide parkeerterreinen.