Naar hoofdinhoud
Het gesprek, als bedoeld in deze beleidsregels, gaat over de invulling van de compensatieplicht. De functie van het gesprek is enerzijds in een zo vroeg mogelijk stadium de ondersteuningsbehoefte van de burger goed te inventariseren (vraag achter de vraag) en anderzijds ook de voorbereiding op een mogelijke formele aanvraag voor een individuele Wmo voorziening. Tijdens het gesprek vindt dus, in beginsel, het benodigde onderzoek, als bedoeld in artikel 4, lid 2 van de wet, plaats.De plek van het gesprek moet een plek zijn waar de gesprekspartners het gevoel hebben dat in alle rust en privacy gesproken kan worden. In veel gevallen zal dat bij voorkeur bij de ondersteuningsvrager thuis zijn, maar het kan ook in een dorpshuis of in het gemeentehuis. Het doel van het gesprek heeft een grote rol bij de plek van het gesprek. Het afleggen van een huisbezoek is vaak van belang omdat de gespreksvoerder dan in relatief korte tijd met eigen ogen een indruk kan krijgen van de leefsituatie van de ondersteuningsvrager. Als ook de woonsituatie van belang is, is een huisbezoek zelfs noodzakelijk.We spreken weliswaar over “het gesprek”, maar dat kan ook een serie gesprekken zijn. Voor het verkennen van het probleem of de problemen, het benoemen van het resultaat en het zoeken naar oplossingen kan meer tijd nodig zijn. Aan de andere kant kan bijvoorbeeld in het geval van een herhalings(aan)vraag/herindicatie het gesprek, afhankelijk van de situatie, digitaal of telefonisch plaatsvinden. Dit moet dan in ieder geval wel leiden tot het in kaart brengen van de ondersteuningsbehoefte, het samen vaststellen van het te bereiken resultaat en de mogelijke oplossingen. Dit alles met als uitgangspunt dat ook de ondersteuningsvrager bij deze werkwijze het idee heeft serieus genomen te worden.Het zal heel helder moeten zijn waarom het gesprek plaatsvindt. De volgende punten komen in het gesprek aan de orde: Doel van het gesprek. Gesprekspartner(s). Problemen bij zelfredzaamheid en participatie. Ervaren beperking, chronisch psychisch en psychosociaal probleem. Te bereiken resultaat. Oplossingsmogelijkheden:- Inzet eigen kracht en mobiliseren / inzet eigen netwerk;- (Wettelijk) voorliggende voorzieningen;- Algemeen gebruikelijke voorzieningen;- Algemene en/of collectieve voorzieningen;- Individuele voorzieningen. Het arrangement. De afsluiting van het gesprek met het verslag. Vervolgstappen. Ad 1. Doel van het gesprekHet is goed om aan het begin van het gesprek de wederzijdse bedoelingen en verwachtingen helder te hebben. Essentieel is dat de ondersteuningsvrager weet dat in het gesprek geen formele aanvraag gedaan wordt en dat er geen formele beoordeling van een aanvraag plaatsvindt, maar dat het gesprek wel onder andere de voorbereiding is van een mogelijke aanvraag. Het doel van het gesprek is het vaststellen van de ondersteunings-behoefte en persoonskenmerken van de ondersteuningsvrager met het oog op één of meer te bereiken resultaten en de oplossingen die daarbij passen. Bij de oplossingen worden de eigen mogelijkheden/ eigen kracht (lichamelijk, verstandelijk, geestelijk én financieel) en/of de mogelijkheden binnen het netwerk (omgeving) van de ondersteuningsvrager meegenomen. Dit alles binnen het kader van de compensatieplicht. Ad 2. Gesprekspartner(s)Het gesprek is niet vrijblijvend en belangrijk voor zowel de ondersteuningsvrager als de gemeente. Het gesprek is een gesprek tussen in beginsel ‘gelijkwaardige gesprekspartners’ en een wederzijds proces. Het vraagt iets van de gesprekspartners, van de gespreksvoerder en van de ondersteuningsvrager. Het gesprek moet ‘vanuit’ de vraag en ‘vanuit’ de ondersteuningsvrager gevoerd worden. Het bepalen van de ondersteuningsbehoefte is dus niet een eenzijdige actie van (of namens) de gemeente, vergelijkbaar met het doorlopen van een beslisboom. Het gesprek is een dialoog waarbij in gezamenlijkheid de situatie van de ondersteuningsvrager in kaart wordt gebracht om zo vast te stellen voor welk resultaat hij eigenlijk compensatie nodig heeft. Bij het gesprek kan de ondersteuningsvrager zich laten bijstaan door wie hij maar wil. Het ligt voor de hand dat, wanneer deze er is, in ieder geval de mantelzorger aanwezig is. Ad 3. Problemen bij zelfredzaamheid en participatieDit is eigenlijk de kern van het gesprek. Het is de bedoeling om tijdens het gesprek helder te krijgen waar de ondersteuningsvrager tegen aan loopt met name als het om de vier domeinen van artikel 4, lid 1 (een huishouden voeren, zich verplaatsen in en om de woning, zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan) uit de wet gaat. Wat lukt nog wel, en wat gaat niet meer. En waar liggen de behoeftes en waarom. Het begrippenkader van de ICF, de International Classification of Functions, Disabilities and Health (zie bijlage 1), wordt toegepast om de situatie van de ondersteuningsvrager eenduidig in kaart te brengen. Ad 4. Ervaren beperking, chronisch psychisch of psychosociaal probleemVoor of in het gesprek is het eigenlijk niet nodig om de oorzaak, medisch of psychosociaal probleem, al definitief vast te stellen. Omdat de (eerste) gespreksvoerders veelal ook geen arts of psycholoog zijn, is dit ook niet altijd met zekerheid te doen. Dat kan aan de orde komen tijdens een latere formele aanvraag. Wel is het van belang dat de ondersteuningsvrager duidelijk maakt wat hij zelf ziet als medische of psychosociale oorzaak van zijn probleem. Ook moet hij weten dat dit bij een eventuele beoordeling van een individuele voorziening van belang is. Ad 5. Te bereiken resultaatTijdens het gesprek gaat het erom het persoonlijk te bereiken resultaat zeer nauwkeurig te omschrijven. En dat altijd gerelateerd aan het doel: zelfredzaamheid en/of participatie. Bij het resultaat komt ook de positie van huisgenoten en hulpverleners aan de orde. Het resultaat kan dan bijvoorbeeld zijn dat er zodanige voorzieningen en hulpmiddelen in huis zijn dat zij hun werk goed kunnen doen en hulp kunnen bieden, opdat de ondersteuningsvrager langer zelfstandig kan wonen. Na het benoemen van het resultaat komen we op de middelen om dat te bereiken: de oplossingsrichtingen of het arrangement. Deze volgtijdelijkheid is cruciaal. Het gaat erom eerst te bepalen wat het resultaat is dat behaald moet worden voordat er over oplossingen gesproken wordt. Ad 6. OplossingsmogelijkhedenAls er een helder beeld is van de beperkingen in zelfredzaamheid en participatie, voor zover dat in het gesprek mogelijk is omdat er (nog) geen eventueel nodig medisch onderzoek is gedaan, en als er een duidelijk en toetsbaar resultaat geformuleerd is, dan begint een traject om goede oplossingen te zoeken. Inzet eigen kracht en mobiliseren / inzet eigen netwerkZoals de opzet van de wet is, kijken we eerst naar de eigen mogelijkheden en de eigen kracht van de ondersteuningsvrager. Wat kan hij zelf of wat kan hij zelf regelen. Heeft hij een netwerk, kan dat er komen of kan het eventueel versterkt worden. Kan dat meehelpen bij het oplossen van de problemen. Onder het eigen netwerk verstaan we uitdrukkelijk ook de mantelzorger(s). Het kan zijn dat in de ondersteuningsbehoefte van de ondersteuningsvrager (voor een deel) kan worden voorzien door een mantelzorger of door de aanwezige mantelzorger steun te bieden. Dat moet goed onderzocht worden. Het is dan ook van belang dat de mantelzorger bij het gesprek wordt betrokken. Hij is immers een belangrijke informatiebron als ervaringsdeskundige, kan ook verhelderen welke taken hij wel / niet kan en wat voor steun nodig is. Onder inzet eigen kracht/eigen mogelijkheden valt ook de financiële capaciteit van de ondersteuningsvrager om zelf in de kosten van oplossingen te kunnen voorzien. In art 4, lid 2 van de Wmo is bepaald dat gemeenten rekening houden met de mogelijkheden die iemand heeft om zelf in financiële zin kosten van een voorziening geheel of gedeeltelijk voor eigen rekening te nemen. Dat is wat anders dan de eigen bijdrage regeling. Die speelt een rol nadat een voorziening is verstrekt. Feitelijk zegt de gemeente bij toepassing van dit artikel: als gemeente hoeven we niets te doen want u kunt het zelf betalen, compensatieplicht is niet aan de orde. De discussie loopt of gemeenten op basis van dit artikel ook rekening mogen houden met het vermogen van iemand. Dus niet alleen met het inkomen uit vermogen. Mag je van iemand met een redelijk vermogen, met geld op de bank of aandelen of een eigen huis met overwaarde verlangen dat hij dat gebruikt om een noodzakelijke woningaanpassing te financieren? Mag je van iemand in dergelijke omstandigheden verlangen dat hij zelf zijn eigen vervoer bekostigt, en zijn eigen hulp in huis betaalt? En welke grenzen zouden dan gehanteerd kunnen worden? Juist omdat hierover geen jurisprudentie is, is het lastig hierin te adviseren. Veel gemeenten vinden het onbevredigend dat juist bij dure woningaanpassingen bij eigen woningen slechts drie jaar een eigen bijdrage gevraagd mag worden, die de kosten bij lange na niet dekt. Het wachten is op de eerste gemeente die dit gaat toepassen. De hierna volgende tekst (cursief) wordt op basis van het B&W-besluit van 7 februari 2012 vooralsnog niet toegepast i.v.m. uitspraken van de CRvB over de toepassing van inkomens- en vermogensgrenzen. Het genoemde percentage in de verordening bij art. 18 lid 5 ad 120% blijft op het oude percentage van 150%. Begin uitzondering In Aalten heeft de gemeenteraad aangegeven dat de ondersteuningsvrager geacht wordt financieel zelfredzaam te zijn, indien hij, in het geval van een vervoersvoorziening, een inkomen heeft boven de 120% van de normen die gehanteerd worden in de Wwb, en in het geval van Hulp bij het huishouden en woonvoorzieningen een inkomen heeft boven de 200% van de normen die gehanteerd worden in de Wwb. (tenzij er (financiële) bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, dan is er wederom sprake van maatwerk). Een uitzondering hierop wordt gemaakt voor de rolstoel voor dagelijks zittend gebruik. Dan wordt niet naar de financiële zelfredzaamheid gekeken en wordt er geen eigen bijdrage gevraagd. Leefvorm netto norminkomen 2011 (jaar) inkomensgrens 1,2 x norminkomen inkomensgrens 2,0 x norminkomen Gehuwden beiden tot 65 jaar € 15.838,20 € 19.005,84 € 31.676,40 Alleenstaande ouder tot 65 jaar € 14.254,44 € 17.105,33 € 28.508,88 Alleenstaanden tot 65 jaar € 11.086,80 € 13.304,16 € 22.173,60 Gehuwden, één partner 65 jaar of ouder, één partner tot 65 jaar € 16.741,56 € 20.089,87 € 33.483,12 Gehuwden beiden 65 jaar of ouder € 16.741,56 € 20.089,87 € 33.483,12 Alleenstaande ouder 65 jaar of ouder € 15.306,36 € 18.367,63 € 30.612,72 Alleenstaande 65 jaar of ouder € 12.162,96 € 14.595,55 € 24.325,92 Gehuwden in inrichting € 6.481,80 € 7.778,16 € 12.963,60 Alleenstaande in inrichting € 4.067,04 € 4.880,45 € 8.134,08 Alleenstaande ouder in inrichting € 4.067,04 € 4.880,45 € 8.134,08 In deze tabel is uitgegaan van de volgende definitie: "de normen, genoemd in paragraaf 3.2 van de Wet werk en bijstand, omgerekend tot een bedrag per kalenderjaar, waarbij deze normen voor een belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die een alleenstaande of een alleenstaande ouder is, en die niet in een inrichting verblijft, eerst zijn verhoogd met de toeslag, genoemd in artikel 25 lid 2 Wwb, en de normen van een alleenstaande of een alleenstaande ouder, of gehuwde, die in een inrichting verblijft, eerst zijn verhoogd met de bedragen, genoemd in artikel 23 lid 2 Wwb". Tevens wordt rekening gehouden met het aanwezige vermogen van de ondersteuningsvrager. Daarbij wordt rekening gehouden met een vrijlating van 300% van de van toepassing zijnde normen in de Wwb. Hiermee is tevens rekening gehouden met mogelijk niet verzekerde kosten van begrafenis of crematie. Voor wat betreft de extra vrijlating in verband met een eigen woning wordt 200% van de norm van de Wwb gehanteerd. Normen vrijlating vermogen (peildatum 1 juli 2011) Persoonlijke situatie vermogengrens Wwb Wmo 200% Wmo 300% alleenstaande € 5.555,00 € 16.665,00 alleenstaande ouder € 11.110,00 € 33.330,00 gehuwden / samenwonenden € 11.110,00 € 33.330,00 extra vrijlating ivm eigen woning € 46.900,00 € 93.800,00 Auto: het vermogen in de auto wordt vrijgelaten tot een bedrag van maximaal € 7.000,--. De waarde boven dat bedrag wordt opgeteld bij het vermogen. De koerslijst van de ANWB wordt daarbij gehanteerd. Auto's ouder dan 7 jaar worden in principe volledig vrij gelaten. Einde uitzondering (Wettelijke) voorliggende voorzieningen Dit zijn voorzieningen in andere (wettelijke) regelingen, waar een burger gebruik van kan maken. Het gaat daarbij om voorzieningen die door de ondersteuningsvrager aan te vragen en te gebruiken zijn ter oplossing van (een deel van) zijn problemen. Bekende voorbeelden zijn kinderopvang, de financiële steun op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb), de hulpmiddelen op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw), de zorg uit de AWBZ en huur- en zorgtoeslag. Maar ook regresrecht in verband met letselschade valt hieronder.De gespreksvoerder moet in hoofdlijnen kennis hebben over deze mogelijkheden, en in ieder geval weten waar meer gedetailleerde kennis verkrijgbaar is. Zo nodig zal hij ook de ondersteuningsvrager moeten kunnen doorverwijzen. Afspraken over het gebruik van voorliggende voorzieningen horen in het verslag thuis. Algemeen gebruikelijke voorzieningen Het is zeer wel mogelijk dat een deel van de problemen van de ondersteuningsvrager, of misschien wel alle, opgelost kunnen worden door één of meer algemeen gebruikelijke voorzieningen. Als bijvoorbeeld een douchebeugel en een antislipmat afdoende zijn ter voorkoming van valpartijen in de douchecel, moet dat zeker in het gesprek aan de orde komen. Feitelijk ligt dit in de lijn van de inzet van de eigen kracht.In hoofdstuk 3 van deze beleidsregels wordt nader ingegaan op de algemeen gebruikelijke voorzieningen. Algemene en/of collectieve voorzieningen Ook voor deze voorzieningen geldt dat de gesprekspartners samen kijken of in deze sfeer oplossingen te bereiken zijn. Hierbij is van belang dat de gespreksvoerder kennis heeft van de lokale sociale kaart, zodat ook goed kan worden nagegaan of algemene en/of collectieve voorzieningen er daadwerkelijk zijn en of ze bruikbaar en bereikbaar zijn voor de ondersteuningsvrager met problemen.In hoofdstuk 3 van deze beleidsregels wordt nader ingegaan op de algemene en/of collectieve voorzieningen. Individuele voorzieningen Het karakter van individuele voorzieningen is dat ze per definitie een maatwerkoplossing inhouden, als een algemene of collectieve voorziening niet passend of toereikend is. Wanneer er sprake is van een zeer specifiek probleem, moet verkend worden welk type maatwerk van nut kan zijn. De gespreksvoerder moet inzicht kunnen geven in de oplossingspotentie van individuele voorzieningen (functionaliteit). Wanneer in het gesprek een dergelijke specifieke oplossing aan de orde komt, moet de ondersteuningsvrager in ieder geval op hoofdlijnen geïnformeerd worden over het oplossingstraject dat bij participatie gebruikt wordt in het geval van individuele voorzieningen. Het gaat dan om uitleg over de invulling van de compensatieverplichting als bepaald in artikel 4 van de verordening, de aanvraagprocedure, het eventuele onderzoek, de beoordeling, de eigen bijdragen, het karakter van het besluit en bezwaar en beroep. Ad 7. Het arrangementAls alle mogelijke oplossingen langsgelopen zijn, is het moment daar om met elkaar vast te stellen dat een bepaalde combinatie de oplossing biedt aan de ondersteuningsvrager met problemen. Het is van belang goed af te spreken en, indien nodig, in het verslag op te nemen welke stappen in ieder geval al gezet kunnen worden. Uitgangspunt is daarbij dat allereerst wordt uitgegaan van de eigen kracht en het eigen netwerk van de ondersteuningsvrager. En dat algemeen gebruikelijke voorzieningen voor eigen rekening van de ondersteuningsvrager komen en dat voorliggende, algemene en collectieve voorzieningen vóór individuele voorzieningen gaan. Ad 8. De afsluiting van het gesprek met het verslagDe gespreksvoerder legt de hoofdlijnen van het gesprek vast. Alle bovengenoemde punten, voor zover relevant, komen aan de orde. Het zwaartepunt ligt bij de formulering van het te bereiken resultaat en het daarbij horende arrangement. Het gespreksverslag wordt voorgelegd aan de ondersteuningsvrager en zijn eventuele opmerkingen worden aan het verslag toegevoegd. Beide gesprekspartners zetten hun handtekening onder het verslag. Ad 9. VervolgstappenAan het slot van het gesprek worden de concrete acties nagelopen: wie doet wat en wie regelt wat en op welke termijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel