De exploitatie van het kindercentrum, het gastouderbureaus of de voorzieningen voor gastouder-opvang zal in ieder geval redelijkerwijs plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van afdeling 3 van de wet, als bedoeld in artikel 1.45, derde lid, van de wet, indien uit het 10-weken onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, eerste lid, van de wet, voor zover van toepassing, blijkt dat ten minste aan de volgende eisen is voldaan:
er moet sprake zijn van kinderopvang in de zin van artikel 1.1 van de wet;
de ouders zullen aantoonbaar worden geïnformeerd over het beleid als bedoeld in hoofdstuk 1, afdeling 3, paragraaf 2 van de wet;
de beroepskracht-kind-ratio is aantoonbaar op de eerste dag van exploitatie conform de bij of krachtens de wet gestelde eisen;
het aangetrokken personeel beschikt over een verklaring omtrent het gedrag. De verklaring omtrent het gedrag dient aan de toezichthouder getoond te kunnen worden en mag op het moment van overleggen aan de houder niet ouder zijn dan twee maanden;
het aangetrokken personeel is aantoonbaar voldoende gekwalificeerd;
de risico-inventarisatie(s) veiligheid en gezondheid zijn gereed en aanwezig, voor zover mogelijk gezien het feit dat de voorziening nog niet in exploitatie is genomen;
het protocol kindermishandeling is gereed en aanwezig;
de accommodatie (binnenruimte, buitenruimte en eventueel slaapruimte) is gereed en afgestemd op het aantal kinderen en hun leeftijd en het aantal groepen waarmee de exploitatie aanvangt;
de groepsindeling is schriftelijk vastgelegd, inclusief de vaste beroepskrachten die bij de groepen horen;
de klachtenregeling voor ouders is gereed en aanwezig.
Artikel 28
Eisen voorafgaand aan start exploitatie
Onderdeel van VERORDENING kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen gemeente Den Haag 2012