Naar hoofdinhoud

Artikel 7

De wijze van heffing en termijnen van betaling

Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2012

1. De belasting, als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren. 2. In afwijking van het eerste lid kan het in werking stellen van de parkeerapparatuur ook plaatsvinden door het inloggen via een telefoon op het centrale register van het ServiceHuis Parkeer- en Verblijfsrechten. De aanvang van het parkeren meldt de belastingplichtige door de gebiedscode telefonisch door te geven aan zijn of haar telecom-provider. Tevens neemt de belastingplichtige de overige voorwaarden van zijn of haar telecom-provider in acht. Wanneer niet aan voornoemde voorwaarden is voldaan, wordt de belasting geheven op de wijze zoals bepaald in het eerste lid. 3. In afwijking van het eerste lid moet de ingevolge het tweede lid verschuldige belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen één maand na het einde van het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het inloggen op het centrale register via een telefoon. 4. De belasting, als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. 5. De naheffingsaanslag moet binnen 4 weken na de dagtekening van de toegezonden acceptgiro worden voldaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel