Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 10

De hoogte en duur van de maatregel

Onderdeel van Afstemmingsverordening 2012

1.. Het college stelt de maatregel vast op: vijf procent van betreffende bijstandsnorm en/of grondslag gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie; tien procent van betreffende bijstandsnorm en/of grondslag gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie; twintig procent van betreffende bijstandsnorm en/of grondslag gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie; honderd procent van de bijstandsnorm en/of grondslag gedurende een maand bij gedragingen van de vierde categorie. 2.. De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen een periode van twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd dan wel een waarschuwing is gegeven, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde categorie. 3.. Indien de belanghebbende ook na toepassing van het bepaalde in het tweede lid binnen een periode van twaalf maanden na bekendmaking van het besluit waarbij een maatregel is opgelegd blijft volharden in zijn verwijtbare gedraging kan het college de maatregel voor onbepaalde tijd opleggen. 4.. Het college kan, in afwijking van het eerste lid, de hoogte van de maatregel hoger of lager vaststellen, tot een minimum van vijf procent en een maximum van honderd procent, rekening houdend met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende.

Rechtspraak bij dit artikel