**1.** Ter zake van vaartuigen met een vaste ligplaats wordt, indien een belastingplichtige als bedoeld in artikel 3, eerste lid, is aangewezen:
a. het aantal personen die verblijf hebben gehouden, bepaald op:
3,7, bij een vaartuig met een lengte van meer dan 12 meter;
2,1, bij een vaartuig met een lengte van 4 tot en met 7 meter;
2,6, bij een vaartuig met een lengte van meer dan 7, doch ten hoogste 9 meter;
2,6, bij een vaartuig met een lengte van meer dan 9, doch ten hoogste 12 meter;
b. het aantal etmalen dat door de onder a bedoelde personen verblijf is gehouden, bepaald op:
15,4 bij een vaartuig met een lengte van 4 tot 7 meter;
19,2 bij een vaartuig met een lengte van meer dan 7, doch ten hoogste 9 meter;
18,7 bij een vaartuig met een lengte van meer dan 9, doch ten hoogste 12 meter;
20,1 bij een vaartuig met een lengte van meer dan 12 meter;
**2.** Het aantal vaartuigen als bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op het aantal vaartuigen welke door de belastingplichtige bij aangifte uit de verhuuradministratie zijn opgegeven, dan wel blijken.
Artikel 6
Forfaitaire berekeningswijze van de maatstaf van heffing
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van watertoeristenbelasting Schouwen-Duiveland 2012