Voor de berekening van de uitkering telt mee de tijd doorgebracht als raadslid, die vervuld isna 31 december 1990.
De uitkering bedraagt over het eerste jaar 4% van de laatstelijk als raadslid genotenjaarvergoeding per vervuld volledig raadsjaar en over het tweede jaar 2% van de laatstelijkals raadslid genoten jaarvergoeding per vervuld volledig raadsjaar.
De uitkering als vermeld in het vorige lid bedraagt in het eerste jaar ten hoogste 80% van de laatstelijk genoten vergoeding als raadslid en in het tweede jaar ten hoogste 40% van delaatstelijk genoten vergoeding als raadslid.
Indien een gewezen raadslid een uitkering ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijkearbeidsongeschiktheid, kan hij een verzoek indienen tot verlaging van de uitkering bedoeld in het tweede lid. Dit verzoek moet worden ingediend binnen 4 weken na aanvang van hetraadslidmaatschap danwel de datum van toekenning c.q. wijziging van een in de vorige zinbedoelde uitkering.
Indien een gewezen raadslid een uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet en de na toepassing van artikel 20 van die wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het beeindigen van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de uitkering bedoeld in het tweede lid, wordt deze uitkering ten laste van de gemeente verhoogd tot het bedrag vanbedoelde korting.
Indien een lid van de raad een uitkering ontvangt op grond van het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel en de na toepassing van artikel 6, vierde lid van datbesluit ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het beeindigen van hetraadslidmaatschap meer bedraagt dan de uitkering bedoeld in het tweede lid, wordt dezeuitkering ten laste van de gemeente verhoogd tot het bedrag van bedoelde korting.
Hoofdstuk III
Artikel 15
Bedrag van de uitkering
Onderdeel van Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2009