1.Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking en werkt terug tot
1 januari 2011.
2.Op het moment van inwerkingtreding wordt de Verordening rechtspositie (burger-)raadsleden 2008 ingetrokken.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 20 april 2011.
De raad voornoemd,
De griffier, de voorzitter,
J.G. van Straalen mw. A. Attema
JGvS/780 TOELICHTING
ALGEMEEN
Wijziging ten opzicht van de Verordening rechtspositie (burger-)raadsleden 2008
In het kader van de bezuinigingen heeft de raad in de begrotingsraad van 4 november 2010 besloten een aantal voorzieningen voor raadsleden te laten vervallen. Dit betreft:
de onkostenvergoeding computergebruik voor raadsleden (niet voor burgerleden) (voormalig artikel 4, eerste lid);
de uitkering bij aftreden (voormalig artikel 9);
het parkeerabonnement (voormalig artikel 10)
In deze verordening zijn deze voorzieningen niet meer opgenomen. Ten opzicht van de vorige verordening wordt het begrip “burgerlid” in plaats van “burgerraadslid” gebruikt. Ten slotte is in deze verordening rekening gehouden met de daling van het aantal raadsleden van 29 naar 27.
De tekst van de toelichting op de artikelen is gelijk gebleven aan die in de Verordening rechtspositie (burger-)raadsleden 2008.
Opzet
Er is voor gekozen de lokale regeling voor raads- en burgerleden op te nemen in een afzonderlijke regeling, los van de regeling voor wethouders. Hiermee is er een voor de doelgroep “raadsleden” toegeschreven verordening opgesteld die slechts gewijzigd behoeft te worden als dit voor die specifieke doelgroep noodzakelijk is.
Gebruik is gemaakt van de voorbeeldverordening van de VNG. Afgeweken is er daar waar de raad gekozen heeft voor een geheel eigen vorm van voorzieningen. De verantwoordelijkheid of van een voorziening gebruik zal worden gemaakt is zoveel mogelijk bij de raadsleden zelf gelaten en de eisen om voor een voorziening in aanmerking te komen zijn zo eenvoudig en beperkt mogelijk gehouden.
Doel
De voorzieningen faciliteren het raadslid en dragen bij aan het functioneren van het raadswerk. Voor de opgenomen (secundaire) voorzieningen is gekozen op grond van de volgende overwegingen:
1.Een voorwaarde voor het goed functioneren van ons democratische bestel is, dat vanuit alle groeperingen (vanuit alle inkomensgroepen) uit de samenleving mensen bereid zijn om zitting te nemen in de bestuurlijke organen. De bereidheid daartoe staat om allerlei redenen onder druk. Landelijk wordt ervaren dat de vergoeding niet in verhouding staat tot de werkdruk. Gekozen is daarom voor de maximale (onkosten)vergoeding.
Als gevolg van bijzondere bij wet geregelde omstandigheden kan het inkomen vanwege het raadslidmaatschap achteruit gaan. Dit mag geen belemmering vormen om zitting te nemen in de raad. Voorzieningen dienen een dergelijke inkomensachteruitgang daarom te voorkomen.
2.De rechtspositie voor raadsleden zelf kan een reden zijn het raadslidmaatschap niet op zich te nemen. De regelingen rond zwangerschap of ziekte mogen daarvoor geen reden zijn.
Daar waar sprake is van zwangerschap, bevalling of ziekte of vervanging van een raadslid wegens deze omstandigheden, dient het raadslid, binnen de wettelijke mogelijkheden, zoveel mogelijk de voorzieningen te houden welke andere raadsleden ontvangen.
3.Inwoners verwachten dat raadsleden hun vertegenwoordigende, kaderstellende en controlerende taken zo goed mogelijk verrichten. Het verkrijgen en vergroten van vaardigheden en kennis is daarbij van belang. Voorzieningen die hieraan een bijdrage leveren zijn in de verordening opgenomen.
Wettelijke regelingen
De regeling van de rechtspositie van wethouders, raadsleden en leden van gemeentelijke commissies vindt op drie of vier niveaus plaats, te weten bij wet, AMvB, ministeriële regeling (alleen wethouders) en gemeentelijke verordening. In de Gemeentewet is aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van wethouders, raads- en commissieleden moet worden geregeld bij AMvB. Daartoe zijn tot stand gekomen het Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. In deze wetten en nadere regelgeving zijn alle voor de rechtspositie van belang zijnde onderwerpen geregeld. Een aantal voorzieningen, zoals de hoogte van de bezoldiging en de verschillende onkostenvergoedingen, is in de rechtspositiebesluiten overwegend geregeld in dwingende bepalingen. Voor secundaire voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een regeling tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering, geldt dat de gemeente de vrijheid heeft om deze voorzieningen te treffen.
Hoofdlijnen gemeentelijke verordening
In de verordening zijn bepalingen opgenomen over de rechtspositie van raadsleden en burgerleden. In Ridderkerk kunnen burgerleden deelnemen aan het commissiewerk en functioneren dan als commissieleden. De grondslag hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en genoemde rechtspositiebesluiten.
In het tweede lid van artikel 99 van de Gemeentewet is opgenomen dat bij gemeentelijke verordening aan raads- en commissieleden voordelen, anders dan in de vorm van vergoedingen en tegemoetkomingen, mogen worden toegekend. Daarvoor is wel de goedkeuring van gedeputeerde staten vereist. De rechtspositionele aanspraken voor raads- en commissieleden zijn dan ook uitsluitend te vinden in respectievelijk de Gemeentewet, het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en de plaatselijke Verordening rechtspositie raads- en burgerleden..
De arbeidsverhouding van het raadslid
Raadsleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het raadslidmaatschap niet vallen onder de
werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet, Ziektewet en WIA. Raadsleden worden ook niet aangemerkt als werknemer in de zin van de Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van die wet geen recht op vergoeding door de gemeente van de over de raadsvergoeding verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de basisverzekering. Als gevolg van een wijziging van artikel 11 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden van 6 december 2006 (Stb. 2006, 660) kan de raad echter bij verordening wel een tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering worden toegekend. Daardoor is tegemoet gekomen aan de inhouding van de inkomensafhankelijke bijdrage. In deze verordening is niet voor deze tegemoetkoming gekozen. Omdat er geen dienstbetrekking met de gemeente is vallen raadsleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten getoetst aan de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kan een raadslid opteren voor de loonbelasting door te kiezen voor het fictief werknemerschap (zie hieronder).
De loon- en inkomstenbelasting
Opting in regeling
Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid kan met de gemeente overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de “opting in regeling” genoemd. De administratie van de gemeente is zodanig ingericht dat wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In een gezamenlijke verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de Belastingdienst dat wordt geopteerd voor de loonbelasting. Als gezamenlijk wordt gekozen voor het loonbelastingsysteem dan draagt de gemeente de ingehouden loonheffing af aan de Belastingdienst. Omdat een raadslid geen werknemer in de formele zin van het woord is, valt hij zoals gezegd vanwege het raadslidmaatschap niet onder de sociale zekerheidswetgeving. Om die reden worden over de raadsvergoeding ook geen premies sociale zekerheid ingehouden. De inkomsten worden als loon belast in box 1. Het raadslid hoeft in dat geval geen administratie bij te
houden. Kosten die worden gemaakt kunnen niet worden afgetrokken. Wel kan de gemeente onder
voorwaarden bepaalde vergoedingen onbelast verstrekken en bepaalde faciliteiten onbelast in bruikleen beschikbaar stellen. Genoemd kunnen worden de vergoeding van reis- en verblijfkosten en de zakelijke deelname aan cursussen en congressen. Er zijn ook vergoedingen die niet belastingvrij kunnen worden verstrekt. Deze vergoedingen worden gebruteerd toegekend waardoor na inhouding van de loonheffing de netto bedoelde vergoeding resteert. Het meest duidelijke voorbeeld is de onkostenvergoeding, die aan raadsleden die gekozen hebben voor ‘opting-in’ als een bruto bedrag wordt verstrekt. Raadsleden die gekozen hebben voor de standaard regeling ontvangen een lager bedrag dat vergelijkbaar is met het netto resultaat van de bruto vergoeding.
Raadsleden kunnen ook deelnemen aan de spaarloonregeling of de levensloopregeling en de fietsregeling.
Fiscale standaardpositie
Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd dan geldt voor het raadslid dat hij voor de Wet
inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een werkzaamheid geniet. In dat geval is het winstsysteem van toepassing. Betrokkene moet dan alle ontvangsten verantwoorden als winst en kan de gemaakte kosten daarop in mindering brengen. Raadsleden die gekozen hebben voor de standaard regeling zullen dan ook over het lagere bedrag dat zij als onkostenvergoeding ontvangen inkomstenbelasting moeten betalen, tenzij zij aan de hand van bewijsmateriaal aan kunnen tonen dat de vergoeding is besteed aan onkosten voortvloeiend uit het raadslidmaatschap.
Zij kunnen niet deelnemen aan de spaarloonregeling en de levensloopregeling en fietsregeling.
Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbare resultaat). De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen op grond van deze verordening aan de Belastingdienst te melden middels een opgave IB47. Verstrekkingen moeten naar de waarde in het economische verkeer worden opgegeven. Het daadwerkelijke zakelijke gebruik leidt dan tot aftrek. Ook voor de hoogte van de vaste kostenvergoeding maakt het verschil uit of het raadslid wel of niet heeft geopteerd voor de loonbelasting (zie daarvoor hieronder de toelichting op artikel 3).
Eénmalige keuze per zittingsperiode
Zoals hierboven naar voren is gekomen kan de keuze om al of niet te opteren voor de loonbelasting voor het raadslid ingrijpende gevolgen hebben. De beslissing om voor de loonbelasting te opteren kan eenmaal per zittingsperiode worden gemaakt en geldt in beginsel voor de (resterende) zittingsperiode. Wel kan betrokkene als spijtoptant terugkomen op deze beslissing voor de resterende periode. Opteren voor de loonbelasting hoeft niet bij aanvang van de zittingsperiode te gebeuren maar kan ook gedurende de zittingsperiode voor de resterende periode.
ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING