**1..** Tenzij in de verordening anders is bepaald, wordt de maatregel opgelegd met ingang van de eerst volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm/grondslag;
**2..** Indien, als gevolg van het beëindigen van het recht op uitkering er geen besluit tot verlaging meer kan worden genomen, kan, als aan de belanghebbende binnen één jaar na de beëindiging opnieuw een uitkering op grond van de WWB, het Bbz 2004, de IOAW of de IOAZ wordt toegekend, dit besluit alsnog genomen worden;
**3..** Als het recht op uitkering eindigt, wordt, voor zover het tijdvak waarover de verlaging is opgelegd nog niet is verstreken, het resterende deel van de verlaging ten uitvoer gelegd als de belanghebbende binnen één jaar na de beëindiging opnieuw aanspraak op een uitkering op grond van de WWB, het Bbz 2004, de IOAW of de IOAZ maakt;
**4..** In afwijking van het eerste lid kan de afstemming van het recht op uitkering met terugwerkende kracht worden opgelegd;
voor zover de uitkering (inclusief de aanspraak op vakantiegeld) nog niet is uitbetaald;
of door middel van een herziening van de uitkering bij het niet nakomen van de inlichtingenplicht met gevolgen voor de uitkering;
**5..** Een verlaging wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een verlaging die voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk binnen drie maanden, nadat deze ten uitvoer is gelegd, heroverwogen.
Hoofdstuk 1.
Artikel 1:7
Ingangsdatum en tijdvak
Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB, Bbz 2004, IOAW, IOAZ 2011 Samenwerkingsverband Ridderkerk en Albrandswaard