Deze verordening wordt aangehaald als Afstemmingsverordening WWB, Bbz 2004, IOAW en IOAZ 2011 Samenwerkingsverband Ridderkerk en Albrandswaard.
Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Ridderkerk in zijn openbare vergadering van 23 juni 2011
De griffier, De voorzitter,
Algemene toelichting
Met ingang van 1 juli 2011 treden de artikelen 18 lid twee en drie en artikel 53a van de WWB in werking voor zover dit betreft de zelfstandigen als bedoeld in artikel 78f WWB. Bij de inwerkingtreding van de WWB waren de zelfstandigen uitgezonderd van deze bepalingen, omdat destijds de verwachting was dat voor de zelfstandigen een nieuwe wet zou komen. Tot 1 juli 2011 was het boeten- en maatregelenregime van de Abw van kracht voor de zelfstandigen. De nieuwe zelfstandigenwet is er niet gekomen zodat de regering heeft besloten het afstemmingsregime van de WWB ook voor de zelfstandigen te laten gelden. Bbz 2004 is daarom opgenomen in de afstemmingsverordening.
Zelfstandigen
In artikel 78g WWB wordt voor de zelfstandigen verwezen naar artikel 18 lid twee en drie WWB op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Dit koninklijk besluit is genomen op 23 december 2010 en bekend gemaakt in Staatsblad 2010-839. De ingangsdatum is vastgesteld op 1 juli 2011.
In artikel 18 tweede lid WWB staat dat de het college de uitkering kan verlagen bij het niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen die voortvloeien uit de WWB en de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen artikel 28 tweede lid en artikel 29 eerste lid.
Ook het zeer ernstig misdragen jegens het college en het tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan vallen hieronder.
De verplichtingen die in de WWB zijn genoemd kunnen daarom van toepassing zijn op de zelfstandigen die vallen onder het Bbz 2004. Bij het niet nakomen van een verplichting geeft de afstemmingsverordening aan hoe er gehandeld moet worden.
Via Bbz 2004 kan er een uitkering voor het levensonderhoud worden verstrekt gedurende een vastgestelde termijn of een krediet of een combinatie van uitkering en krediet.
De maatregel kan alleen worden toegepast op een uitkering voor het levensonderhoud en niet op het krediet. De wetgeving voor de zelfstandigen (Bbz 2004) geeft voldoende mogelijkheden om bij het niet voldoen aan de verplichtingen een strafmaatregel toe te passen als de bijstand de vorm heeft van een krediet. Als er niet voldaan wordt aan de verplichtingen kan er via de bepalingen van het Bbz 2004 worden besloten een krediet onmiddellijk op te eisen en er kan besloten worden om geen kapitaal- of rentereductie toe te passen.
Wet Buig
In 2010 is de Wet tot Bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening (Wet BUIG) in werking getreden. Deze wet had gevolgen voor de gemeentelijke middelen IOAW, IOAZ en Bbz 2004.
Ook gaf deze wet de gemeente de verplichting om de afstemming van de IOAW, IOAZ op te nemen in de afstemmingsverordening.
De relatie met de re-integratieverordening
Een maatregel kan worden opgelegd, als belanghebbende niet voldoet aan hem/haar opgelegde verplichtingen, vastgelegd in de beschikking die op grond van de re-integratie verordening is verstrekt.
De Handhavingsverordening op grond van artikel 8a WWB
In artikel 8a WWB en artikel 35 IOAW en artikel 35 IOAZ is opgenomen dat de gemeenteraad in het kader van het financiële beheer bij verordening regels stelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand/uitkering evenals van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
Hiermee wordt gewaarborgd dat aan de eisen van rechtmatigheid wordt voldaan. Een goed financieel beheer bij de uitvoering van de WWB, Bbz 2004, IOAW en de IOAZ brengt met zich mee dat daarbij ook voortdurend aandacht bestaat voor de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik. Dit is geregeld in de “Handhavingsverordening WWB en WIJ”.
De Bbz 2004, IOAW en IOAZ worden in de “Handhavingsverordening” meegenomen.
Maatwerk
Bij alle genoemde wetten is er sprake van afstemming van de uitkering bij verwijtbaar handelen en is er sprake van maatwerk door de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden te onderzoeken en te laten meewegen in het besluit tot afstemming. Bij een langdurige maatregel wordt na 3 maanden de maatregel opnieuw overwogen.
Hoofdstuk 5.
Artikel 5:3
Citeertitel
Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB, Bbz 2004, IOAW, IOAZ 2011 Samenwerkingsverband Ridderkerk en Albrandswaard