Naar hoofdinhoud
1.. De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt afgewezen indien: de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college; deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen, drempelhulpen of vlonders, opstelplaats voor een scootmobiel; de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak: de persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 4, 5 en 6 van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning voor het eerst zelfstandig gaat wonen; de persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 4, 5 en 6 van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden; de persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 4, 5 en 6 van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg; er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden; voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel