Naar hoofdinhoud

§ 5.2

Artikel 30:

Toeslag alleenstaanden en alleenstaande ouders

Onderdeel van Verzamelverordening WWB, Ioaw,Ioaz en Bbz 2012

1.. De norm wordt verhoogd met een toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid van de wet indien de alleenstaande van 23 jaar en ouder en de alleenstaande ouder vanaf 21 jaar hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. 2.. De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt 20% van de gezinsnorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft. 3.. De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt 15% van de gezinsnorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder als deze onderhuurder of medebewoner is op commerciële basis en hij niet een bloedverwant is in de eerste graad van de hoofdbewoner. 4.. De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt 10% van de gezinsnorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder als deze hoofdbewoner is van de woning en de woonkosten kan delen met een inwonende, die geen bloedverwant is in de eerste graad en hij voor die woning woonkosten verschuldigd is. Als de woning gedeeld wordt met meer dan twee onderhuurders of medebewoners dan wordt de hoofdbewoner gezien als beroepsmatig verhuurder en zal geen toeslag worden toegekend. Huuropbrengsten die de toeslag van 20% van de gehuwdennorm te boven gaan zullen als inkomen op de uitkering in mindering worden gebracht. 5.. Er wordt geen toeslag toegekend indien een woning wordt bewoond waarvoor totaal geen woonkosten verschuldigd zijn en een toeslag van 10% als er een woning wordt bewoond waarvoor gedeeltelijke woonkosten verschuldigd zijn. 6.. Voor de toepassing van dit artikel worden: gehuwden aangemerkt als één inwonende; de verzorgingsbehoevende die door belanghebbende wordt verzorgd niet aangemerkt als een persoon met wie kosten kunnen worden gedeeld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel