**1..** De norm wordt verhoogd met een toeslag als bedoeld in artikel 25,
eerste lid van de wet indien de alleenstaande van 23 jaar en ouder
en de alleenstaande ouder vanaf 21 jaar hogere algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de
bijstandsnorm voorziet als gevolg van het niet of niet geheel kunnen
delen van deze kosten met een ander.
**2..** De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt 20% van de
gezinsnorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens
woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft.
**3..** De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt 15% van de
gezinsnorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder als deze
onderhuurder of medebewoner is op commerciële basis en hij niet een
bloedverwant is in de eerste graad van de hoofdbewoner.
**4..** De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt 10% van de
gezinsnorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder als deze
hoofdbewoner is van de woning en de woonkosten kan delen met een
inwonende, die geen bloedverwant is in de eerste graad en hij voor
die woning woonkosten verschuldigd is. Als de woning gedeeld wordt
met meer dan twee onderhuurders of medebewoners dan wordt de
hoofdbewoner gezien als beroepsmatig verhuurder en zal geen toeslag
worden toegekend. Huuropbrengsten die de toeslag van 20% van de
gehuwdennorm te boven gaan zullen als inkomen op de uitkering in
mindering worden gebracht.
**5..** Er wordt geen toeslag toegekend indien een woning wordt bewoond
waarvoor totaal geen woonkosten verschuldigd zijn en
een toeslag van 10% als er een woning wordt bewoond waarvoor
gedeeltelijke woonkosten verschuldigd zijn.
**6..** Voor de toepassing van dit artikel worden:
gehuwden aangemerkt als één inwonende;
de verzorgingsbehoevende die door belanghebbende wordt
verzorgd niet aangemerkt als een persoon met wie kosten
kunnen worden gedeeld.
§ 5.2
Artikel 30:
Toeslag alleenstaanden en alleenstaande ouders
Onderdeel van Verzamelverordening WWB, Ioaw,Ioaz en Bbz 2012