1. De burgemeester trekt een ontheffing in als bedoeld in artikel 6,
als: a) niet (meer) wordt voldaan aan de in artikel 7 gestelde eisen;
b) gedurende een jaar anders dan wegens overmacht van de ontheffing geen
gebruik is gemaakt;
c) zich in de besloten ruimte als bedoeld in artikel 6 feiten hebben
voorgedaan, die de vrees rechtvaardigen, dat het van kracht blijven van
de ontheffing gevaar zou opleveren voor de openbare orde, openbare
veiligheid, de volksgezondheid of bescherming van het milieu;
d) er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in
artikel 3 van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het
openbaar bestuur.
2. De burgemeester kan een ontheffing als bedoeld in artikel 6
intrekken, als niet langer wordt voldaan aan de krachtens artikel 6 lid
3 gestelde voorschriften.