De in artikel 2 vastgestelde jaarlijkse vakantie-uren verhoogd met ingang van het kalenderjaar waarin de daarvoor bepaalde leeftijd wordt bereikt en wel als volgt:
- met 16 uur bij het bereiken van de 35-jarige leeftijd;
- met 32 uur bij het bereiken van de 45-jarige leeftijd;
- met 48 uur bij het bereiken van de 55-jarige leeftijd.
De in artikel 2 vastgestelde jaarlijkse vakantie-uren voor jeugdigen worden verhoogd met:
met 24 uur tot en met het kalenderjaar, waarin de 18-jarige leeftijd wordt bereikt;
met 16 uur tot en met het kalenderjaar, waarin de 19-jarige leeftijd wordt bereikt;
met 8 uur tot en met het kalenderjaar, waarin de 20-jarige leeftijd wordt bereikt.